DE SURINAAMSE OLIEDROOM (3)

Foto: President Santokhi, minister Marciano Dasai van Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) en voormalig minister van Ruimtelijke Ordening en Milieu, Silvano Tjong-Ahin | Auteur: Armand Snijders.

Het ongeduld van de regering voor wat betreft de start van de oliewinning, heeft niet alleen te maken met de grote financiële belangen die op het spel staan.

Ook de steeds groter wordende weerstand in grote delen van de wereld tegen fossiele brandstoffen, zou op termijn wel eens roet in het Surinaamse eten kunnen gooien.

“Nog voor 2030 zal de wereldwijde vraag naar fossiele brandstoffen beginnen te dalen”, voorspelde vorige maand Fatih Birol, de baas van het Internationaal Energieagentschap (IEA). Dat is de belangrijkste instelling ter wereld op het vlak van energie. Eerder had hij al gezegd dat tegen 2028 de groei in de oliesector zal “verschrompelen”. In de Britse zakenkrant Financial Times lichtte hij alvast een tipje van de sluier op van wat er vermeld staat in het jaarlijkse toonaangevende World Energy Outlook-rapport van het IEA, dat binnenkort verschijnt.

“Het rapport van dit jaar laat zien dat de wereld aan de vooravond van een historisch keerpunt staat”, schrijft Birol. “Alleen al op basis van de huidige beleidsinstellingen van regeringen over de hele wereld – zelfs zonder nieuw klimaatbeleid – zal de vraag naar elk van fossiele brandstoffen de komende jaren een piek bereiken. Met name in het transport zal het gebruik van olie na 2026 sterk afnemen door de snelle opmars van elektrische voertuigen, de groei van biobrandstoffen en verbeteringen in de efficiëntie.”

De IEA bepaalde enkele jaren geleden al dat de opwarming van de aarde tot 1,5 graden beperkt moet worden. De CO2-uitstoot moet om dat doel te bereiken in 2050 op netto nul uitkomen. “Nieuwe olie-en gaswinning zijn daar niet mee te verenigen”, aldus het IEA. Dat zou betekenen dat de olie voor de Surinaamse kust moet blijven waar die is: in de zeebodem.

Maar zo’n vaart zal het niet lopen, want de oliemultinationals hebben zeer veel macht; hun tentakels reiken tot ver in de machtscentra waar invloedrijke politici de dienst uitmaken. Die macht zal ook voelbaar zijn tijdens de Klimaattop die later deze maand in Dubai wordt gehouden. En waar de deelnemers mede op basis van World Energy Outlook-rapport hun standpunten bepalen en overeenstemming proberen te bereiken.

Op deze jaarlijkse top buigen landen zich over de lastige vraag hoe de opwarming van de aarde te voorkomen. Omdat de belangen van de machtige landen – zoals de Verenigde Staten en China, wat de grootste vervuilers van de wereld zijn – enorm groot zijn, worden rigoureuze maatregelen steeds weer uitgesteld. En als er wel harde besluiten worden genomen, dan worden die later niet of nauwelijks nageleefd.

Door velen wordt daarom deze reguliere top als een tandeloze papieren tijger gezien, die heel veel geld kost doordat uit alle delen van de wereld politici en deskundigen acte de préséance geven die met milieuvervuilende vliegtuigen moeten worden gebracht. Vast staat dat in ieder geval president Chandrikapersad Santokhi en minister Marciano Dasai van Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) bij de bijeenkomst in de woestijnstaat aanwezig zullen zijn om het standpunt van Suriname te vertegenwoordigen.

Met deze wetenschap van de maatregelen tegen klimaatverandering in gedachten, is het de vraag of Suriname er wel verstandig aan doet om de pijlen te richten op de vervuilende oliewinning. Voormalig minister Silvano Tjong-Ahin van ROM had daar eind vorig jaar zo zijn twijfels over; hij sprak zelfs van een “duivels dilemma”. “De wereld kan besluiten om die olie bij ons te laten, dus we moeten er wel rekening mee houden dat er nooit een druppel olie wordt opgepompt.” Dat was helemaal niet wat Santokhi wilde horen.

Tjong-Ahin was echter de enige binnen de regering die de nodige reserves had. Maar omdat zijn Nationale Partij Suriname korte tijd later besloot om uit de coalitie te stappen, werd hij vervangen door een VHP’er in de persoon van Dasai. Die heeft zich nog niet expliciet uitgesproken of hij de oliewinning wel ziet zitten, maar het is te verwachten dat hij het standpunt van zijn partijvoorzitter en de president ondersteunt.

Voor Suriname betekent de op handen zijnde grote oliehausse sowieso dat het land een dubbele transitie moet ondergaan.

En de wereld kijkt daarbij meer dan geïnteresseerd toe: hoe gaat het land die transitie naar een economie die tegelijkertijd op olie en groene energie is gebaseerd, aanpakken? Santokhi ziet echter geen problemen wat dat betreft: “We hebben een historische en unieke verplichting om de olievoorraden goed te beheren, met respect voor internationaal erkende en geaccepteerde milieunormen”, zo zei hij begin 2022. “De vraag is nu: hoe kunnen we die transitie op een verstandige manier maken door onze nieuwe hulpbronnen te gebruiken en met moderne technologie een solide basis te leggen voor een meer gediversifieerde economie voor de komende generaties?”

Santokhi was er al tweemaal eerder op de klimaattop bij: in 2021 in het Schotse Glasgow en vorig jaar in het Egyptische Sharm-el-Sheikh. Hij verkeerde daarbij iedere keer in een spagaat: hij had de onmogelijke taak om enerzijds op te komen voor de Surinaamse, vervuilende olievoorraden, anderzijds probeerde hij een slaatje te slaan uit het feit dat Suriname slechts één van de drie carbon negatieve landen ter wereld is. En daar moeten de rijke landen voor betalen. Dat is een verhaal dat vooralsnog bij heel weinig landen indruk heeft gemaakt, net zoals dat Suriname al meer dan een kwart eeuw in potentie het zeventiende rijkste land ter wereld is. Dat heeft ook nog niets opgeleverd.

Dergelijke klimaatbijeenkomsten kunnen echter wel vergaande gevolgen hebben, zoals Suriname en Santokhi eind vorig jaar aan den lijve hebben ondervonden. Omdat Nederland eind 2021 op de klimaattop in Glasgow een handtekening onder de klimaatverklaring zette, waarmee per direct overheidssteun voor internationale fossiele energieprojecten werd gestopt, kon de regering in Den Haag geen hand- en spandiensten meer verlenen. Hoewel bij het Nederlandse bedrijfsleven grote interesse voor de Surinaamse olie- en gassector bestaat, betekende dat uit de handelsdelegatie die vorig jaar met premier Mark Rutte meereisde naar Paramaribo, bedrijven als Van Oord en Boskalis werden geweerd. Maar die bedrijven zijn volwassen genoeg om hun eigen weg te vinden in het kersverse olielandschap van Suriname.

Vooralsnog kan Suriname in ieder geval gerust zijn en zullen, als de omstandigheden op korte termijn niet dramatisch veranderen, over een paar jaar de eerste vaten olie worden gewonnen. En kunnen de eerste dollars op de rekeningen van TotalEnergies en de Staat worden bijgeschreven. Mits de regering een lucratieve overeenkomst heeft gesloten met de oliemaatschappij.

OPINIE

GERELATEERD AAN: DE SURINAAMSE OLIEDROOM (2)

 

 

Facebook Comments Box