DE SURINAAMSE OLIEDROOM (5)
Foto: President Santokhi | Auteur: Armand Snijders.
“Met goed beleid kan in Suriname absoluut geen armoede meer bestaan”, zo zei directeur van Staatsolie, Annand Jagesar, twee maanden geleden over de oliegelden die binnen zullen stromen.
Zijn voorganger Rudolf Elias roept dat ook al jaren. Dat doen de heren in de wetenschap dat de beleidsmakers, die al dollartekens in hun ogen hebben, het liefst eerst aan zichzelf denken; de bevolking komt ergens op de laatste plaats.
Vanuit de regering wordt inderdaad bitter weinig gedaan om de samenleving duidelijk te maken wat er met zoveel oliegeld wordt gedaan om hun situatie op termijn te verbeteren. Er worden weliswaar gouden bergen beloofd, maar hoe die worden gecreëerd is nog onduidelijk. De kans is daarom niet ondenkbeeldig dat Suriname in de toekomst in eenzelfde situatie terechtkomt als ‘straatarme’ olierijke landen als Equatoriaal-Guinea, Venezuela en Nigeria.
Aan de roep om een soort van welvaartsfonds, waarin geld wordt gestopt voor als het in de verre toekomst wat minder gaat, heeft de regering-Santokhi nog geen gehoor gegeven.
Dat daar niet eens serieus over wordt nagedacht, betekent volgens een hoop deskundigen dat politici alleen maar naar de korte termijn kijken en nauwelijks oog hebben voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.
Het is een bewezen feit dat je als bedrijf of overheid pas succes kunt boeken als je weet wat je doelstellingen zijn en hoe je die wilt bereiken. Vooral in een commercieel en politiek gevoelige business zoals de olie- en gassector is het van cruciaal belang dat je alle zaakjes op orde hebt en je weet waarover je praat. Daarom moet je zoveel mogelijk deskundigheid in huis hebben.
Er zijn inmiddels ernstige twijfels gerezen of die deskundigheid binnen de Surinaamse regering wel voldoende voor handen is. Dat blijkt onder andere uit het feit dat sinds bekend is dat er enorme olie- en gasvoorraden voor de kust zijn, er door de beleidsmakers weinig is gedaan om het land op de exploitatie voor te bereiden. Uit onwil maar vooral uit onmacht.
Santokhi gaf er afgelopen week blijk van geen flauw benul te hebben hoe het in de olie- en gas-business werkt. Hij wekte in deze krant verbazing door te stellen dat zijn kabinet niet van plan is te wachten “totdat de oliemaatschappijen de grote gasvoorraden voor de kust hebben ontdekt het nodig achten deze in productie te brengen”. Ofwel: hij zal er zelf wel voor zorgen dat het gas het land geld op gaat leveren.
Dat is slechts stoere taal van het staatshoofd en waarmee hij alleen maar indruk probeert te maken in eigen huis. Maar die nergens op is gestoeld, zeker niet in de internationale wereld. Waarom heeft hij dat trouwens niet gelijk gezegd aan Patrick Pouyanné, de topman van TotalEnergies, toen deze op 13 september meedeelde dat het gas vooralsnog weer terug in de bodem wordt geïnjecteerd?
Je zou op zijn minst mogen verwachten dat de president dan een kant-en-klaar plan klaar heeft liggen om die gasvoorraden in klinkklare munt voor de staatskas om te zetten. Maar dat heeft hij niet, het blijft daardoor zinloos geklets in het luchtledige. Zoals we dat gewend van hem zijn, onder meer ten aanzien van de waterexport en de voedselschuur die Suriname veel geld moesten opleveren.
Want hoe wil hij dat gas te gelde maken, terwijl de olie- en energiemaatschappijen dat voorlopig niet zien zitten. En ook al zou TotalEnergies bereid zijn het gewonnen gas af te staan, waar moet het dan heen? De kans is heel klein dat er in 2025 in Nickerie een diepwaterhaven is aangelegd, zoals het Amerikaanse Phoenix Development Holding Company LLC (PDC) zegt en wat Santokhi als een van de weinigen gelooft.
Staatsolie-directeur Jagesar heeft al meerdere malen aangegeven dat PDC – op zijn zachtst gezegd – een onbetrouwbare partner is. Ook deze krant heeft recentelijk aangetoond dat het slechts een brievenbusfirma is in Houston, Texas, die tot nu toe nog niet heeft kunnen aantonen hoe het aan de miljarden US-dollars komt om in de diepzeehaven te investeren. En dat ze de expertise in huis hebben voor zo’n omvangrijk project. Toch is de regering met het bedrijf in zee gegaan en heeft vijftienhonderd hectare in Nickerie beschikbaar gesteld. Dat dit hoogstwaarschijnlijk op een fiasco uit gaat lopen, lijkt op voorhand vast te staan, waardoor er nog geen faciliteiten voor de opslag en verwerking van het gas komen.
Santokhi heeft nog altijd niet geregeerd op het feit dat de regering heel naïef in het fantasieverhaal van PDC is getrapt en legt nu de schuld deels bij Jagesar die met PDC “overhoopligt”. Terwijl Jagesar heel duidelijk onderbouwd heeft waarom hij geen zaken met de Amerikanen wil doen. Maar die argumenten negeert de president: “Er is onderling wantrouwen en dat ding is vooral de laatste tijd gekomen in een sfeer van polemiek, wat niet goed is”, zo zei hij maandag in deze krant.
Hij heeft gedaan wat hij altijd doet als er problemen opduiken waar hij geen raad mee weet: een ‘cluster van ministers’ aanwijzen om deze zaak met beide partijen te bespreken en een oplossing te zoeken. Dat gaat echter niets opleveren omdat bij de ministers ook geen deskundigheid is om de problemen en vooral de betrouwbaarheid van PDC-objectief te kunnen beoordelen.
Maar Santokhi beseft diep in zijn hart wel dat het nooit wat gaat worden met PDC en dat zijn regering er opnieuw bij een grote investeerder is ingetuind, wat hij overigens nimmer zal toegeven. “Als blijkt dat Phoenix geen geld heeft voor de investering, laat dat duidelijk zijn, dan nemen we een besluit”, zo zegt hij enigszins vaag. “Het is nu een soort kat-en-muisspel geworden, wat niet goed is voor de investering. Daarom moet er zo snel mogelijkheid duidelijkheid komen.”
Dat is dus een investering die niet van de grond komt en waar Suriname niets aan heeft. Zoals ook nog niets in kannen en kruiken in en het voor vrijwel iedereen onduidelijk is in hoeverre de samenleving gaat profiteren van de uiteindelijke opbrengsten.
OPINIE
GERELATEERD AAN: DE SURINAAMSE OLIEDROOM (4)
