BELASTINGVRIJSTELLING MAAKT SLOANEA-GASPROJECT FINANCIEEL HAALBAAR

Foto: Marcel Chin A Lien van Petroleum & Energy Insights Advisory analyseert de fiscale strategie achter de ontwikkeling van het Sloanea-gasproject.

De tienjarige belastingvrijstelling die Suriname heeft toegekend aan de ontwikkeling van het Sloanea-gasveld in Blok 52 moet niet worden gezien als een structurele belastingverlaging, maar als een strategisch instrument om de financiering van het project mogelijk te maken.

Dat stelt de Golden Lane Investments Advisory Group (GLIAG) in een strategische analyse over de fiscale opzet van Suriname’s eerste offshore gasproject.

Volgens GLIAG lijkt de regeling op het eerste gezicht ten koste te gaan van toekomstige belastinginkomsten, maar is de belangrijkste vraag of het project zonder deze fiscale ondersteuning überhaupt commercieel uitvoerbaar zou zijn geweest. De belastingvrijstelling is volgens het adviesbureau daarom primair bedoeld om de financiële haalbaarheid van het project te vergroten en investeerders voldoende zekerheid te bieden om een definitieve investeringsbeslissing (Final Investment Decision, FID) te nemen.

De Surinaamse overheid heeft samen met Staatsolie, PETRONAS en ExxonMobil een speciaal fiscaal kader ontwikkeld voor de commercialisering van de Sloanea-gasvondst in Blok 52. De overeenkomst omvat onder meer een vrijstelling van vennootschapsbelasting gedurende tien jaar vanaf de eerste gasproductie, terwijl de bestaande offshore royalty’s ongewijzigd blijven. Daarnaast behoudt Staatsolie via Paradise Oil Company zijn belang in het project en wordt de ontwikkeling uitgevoerd met een drijvende LNG-installatie (FLNG).

Volgens GLIAG was deze maatregel noodzakelijk omdat eerdere economische analyses uitwezen dat de ontwikkeling van het gasveld commercieel moeilijk rendabel was.

In de analyse benadrukt GLIAG dat de gepresenteerde economische modellen geen definitief ontwikkelingsplan vormen, maar een transparante technische en economische verkenning op basis van publiek beschikbare gegevens.

Daaruit blijkt onder meer dat de verwachte productie niet wordt begrensd door de omvang van het gasreservoir, maar door de capaciteit van de geplande FLNG-installatie van circa 2 miljoen ton LNG per jaar. Het veld zou mogelijk meer gas kunnen produceren, maar de verwerkingscapaciteit bepaalt uiteindelijk hoeveel gas daadwerkelijk kan worden verkocht.

Om gedurende twintig jaar een stabiele productie op dit niveau te handhaven, zou naar schatting ongeveer 2 biljoen kubieke voet (Tcf) winbaar gas beschikbaar moeten zijn. GLIAG benadrukt dat dit geen officiële reserve-inschatting van Sloanea is, maar een indicatie van de benodigde gasvoorraad voor een ontwikkeling volgens het huidige concept.

Volgens GLIAG bestaat er geregeld verwarring over de impact van de belastingvrijstelling. De regeling heeft uitsluitend betrekking op de vennootschapsbelasting. De offshore royalty’s blijven gedurende de volledige levensduur van het project verschuldigd en ook Staatsolie blijft inkomsten ontvangen uit haar deelneming.

Daarnaast levert het project volgens de analyse economische spin-off op in de vorm van werkgelegenheid, lokale bedrijvigheid en toekomstige belastinginkomsten zodra de vrijstellingsperiode afloopt.

GLIAG stelt dat overheden doorgaans streven naar een zo hoog mogelijk staatsaandeel in de opbrengsten, terwijl investeerders zich richten op het rendement van een project. Alleen wanneer beide belangen voldoende in balans zijn, wordt een project daadwerkelijk ontwikkeld.

Door de belastingdruk tijdens de eerste, kapitaalintensieve jaren te verlagen, verbetert volgens het rapport de kasstroom van de investeerders. Dat vergroot de financierbaarheid van het project, verbetert de schuldaflossingscapaciteit, verhoogt het verwachte rendement en maakt het eenvoudiger om de benodigde investeringen aan te trekken.

GLIAG wijst erop dat verschillende producerende landen uiteenlopende fiscale instrumenten inzetten om gasontwikkelingen economisch haalbaar te maken. Zo verlaagde Trinidad en Tobago de royalty’s voor marginale offshore gasvelden naar 8 procent, terwijl Suriname ervoor heeft gekozen de bestaande royaltystructuur te behouden en tijdelijk uitsluitend de vennootschapsbelasting uit te stellen.

Hoewel de gekozen instrumenten verschillen, is het doel volgens GLIAG hetzelfde: gasreserves die anders onontwikkeld zouden blijven alsnog commercieel in productie brengen.

Wanneer het Sloanea-project daadwerkelijk doorgang vindt, kan dat volgens de analyse de verdere ontwikkeling van Blok 52 aanzienlijk versnellen. Een succesvolle eerste gasontwikkeling verlaagt het geologische en commerciële risico, maakt aanvullende exploratie aantrekkelijker en vergroot de mogelijkheden om nabijgelegen gasvondsten gezamenlijk te ontwikkelen. Ook ontstaat daarmee een sterkere basis voor toekomstige uitbreiding van de FLNG-capaciteit.

Volgens GLIAG kan Blok 52 zich daardoor ontwikkelen van een exploratiegebied tot een volwaardige offshore gasprovincie.

De werkelijke waarde van de belastingvrijstelling ligt volgens GLIAG niet in de tijdelijk misgelopen belastingopbrengsten, maar in de grotere kans dat Suriname zijn eerste commerciële diepwatergasproject daadwerkelijk realiseert.

Een project dat de investeringsfase niet haalt, levert volgens het rapport geen royalty’s, geen werkgelegenheid, geen lokale economische activiteit, geen inkomsten voor Staatsolie en geen basis voor toekomstige industriële ontwikkeling. Een succesvol project creëert juist al deze economische effecten en kan bovendien de weg vrijmaken voor een toekomstige Gas-to-Shore-ontwikkeling.

GLIAG concludeert dat het fiscale pakket daarom moet worden beoordeeld op de economische waarde die het op lange termijn voor Suriname creëert en niet uitsluitend op de belastinginkomsten die in de eerste tien jaar worden uitgesteld. Volgens het adviesbureau ontstaat duurzame nationale waarde pas wanneer natuurlijke hulpbronnen daadwerkelijk worden omgezet in commercieel renderende projecten.

INGEZONDEN | Golden Lane Investments Advisory Group (GLIAG)

Facebook Comments Box