HET GUYANESE SPROOKJE: WAAROM MILJARDEN AAN OLIE DE GEWONE BURGER NIET VOEDEN

ANALYSE: UNITED REDACTIE | FOTO BRON IFRAAN ALI

Wie luistert naar de Guyanese president Irfaan Ali, waant zich in het Dubai van het Caribisch gebied. Woorden als “wereldwijd succesverhaal”, “digitale transformatie” en “investeringsboom” rollen soepel over de lippen van het staatshoofd. Macro-economisch heeft hij een punt, want Guyana kent de snelst groeiende economie ter wereld. Maar wie de glanzende conferentiezalen verlaat en door de achterwijken van Georgetown of de verarmde dorpen in Berbice loopt, stuit op een pijnlijke paradox.

Ondanks de miljardenstroom aan oliedollars blijft een gigantische groep Guyanezen letterlijk arm en komen huishoudens nauwelijks rond. Dit roept de dringende vraag op hoe een land zo rijk kan worden terwijl een groot deel van de bevolking arm blijft, en wat Suriname, dat aan de vooravond staat van zijn eigen olieboom, hier nú van moet leren.

De realiteit achter de Guyanese olie-hausse legt drie structurele weeffouten bloot waarbij macro-groei botst met micro-armoede. Ten eerste kampt het land met een agressieve vorm van hyperinflatie op de lokale markt. De enorme instroom van buitenlands kapitaal en hoogbetaalde expats heeft geleid tot een explosie van de prijzen voor basisbehoeften zoals huisvesting, transport en lokaal voedsel.

Een leraar, verpleegkundige of marktkoopman verdient nog nagenoeg hetzelfde als vóór de olie-boom, maar betaalt in de supermarkt inmiddels de hoofdprijs, waardoor de koopkracht van de midden- en onderklasse feitelijk is verslechterd.

Ten tweede is er de paradox van de geïmporteerde arbeid. President Ali geeft zelf toe dat het land nu massaal arbeidskrachten importeert. Omdat de Guyanese bevolking decennialang leed onder een ‘brain drain’ en het onderwijssysteem niet is toegerust op de complexe olie-industrie, gaan de topbanen naar buitenlanders.

De lokale bevolking wordt ingezet voor laagbetaald ongeschoold werk in de beveiliging, schoonmaak en bouw, wat de welvaartskloof tussen de elite en de rest alleen maar vergroot.

Ten derde kiest de regering primair voor prestigeprojecten in infrastructuur in plaats van te investeren in menselijk kapitaal. Men bouwt snelwegen en nieuwe ziekenhuizen, maar zolang het minimumloon niet meegroeit met de inflatie en de basisvoorzieningen zoals stroom en water blijven haperen, voelt de gewone burger zich een toeschouwer in eigen land. Als de president stelt dat een wandeling door Regent Street een ander Guyana toont, heeft hij gelijk, maar dat is een Guyana van expats en een nieuwe rijke elite in SUV’s, terwijl de lokale burger aan de zijlijn staat te kijken hoe zijn leefomgeving onbetaalbaar wordt.

Suriname staat met de naderende exploitatie van Blok 58 en de miljardeninvesteringen van TotalEnergies op exact hetzelfde kruispunt waar Guyana in 2015 stond. Paramaribo heeft echter het grote voordeel dat het kan leren van de fouten van de westerburen door direct in te grijpen op vitale dossiers. Waar in Guyana de gevreesde ‘Dutch Disease’ toeslaat en de focus volledig op olie ligt waardoor landbouw en visserij verpieteren, moet Suriname de eerste olie-inkomsten juist gebruiken om de agrarische sector en het toerisme te moderniseren om de economie breed te houden. Om de buitenlandse dominantie op de arbeidsmarkt te voorkomen, is een harde ‘Local Content’-wetgeving cruciaal. Dit betekent niet alleen eisen dat bedrijven Surinamers aannemen, maar nú massaal investeren in het NATIN, de ADEK en vakopleidingen om de eigen bevolking klaar te stomen voor de sector. Daarnaast moet de Surinaamse overheid de lokale koopkracht beschermen tegen de onvermijdelijke inflatie door de lonen van vitale sectoren tijdig te corrigeren en de prijzen van basisgoederen te bewaken. Tot slot mag de welvaartsverdeling niet worden overgelaten aan een falende trickle-downtheorie. Het Surinaamse Staatsoliefonds moet zó worden ingericht dat een vast percentage direct en onafhankelijk van de politieke waan van de dag vloeit naar onderwijs, gezondheidszorg en structurele armoedebestrijding.

Het verhaal van Guyana bewijst dat een overvloed aan dollars een land niet automatisch rechtvaardig of welvarend maakt. Zonder strakke regie, een scherpe focus op het opleiden van de eigen bevolking en actieve inflatiebestrijding, creëert een olieboom slechts een flinterdunne laag superrijken terwijl het volk in bittere armoede achterblijft. Suriname heeft nu de unieke kans om te bewijzen dat het wél kan, door te zorgen dat de rijkdom uit de oceaan daadwerkelijk de keukentafel van de gewone Surinamer bereikt. De klok tikt, en de Guyanese paradox dient daarbij als de ultieme waarschuwing.

UNITEDNEWS

Facebook Comments Box