RUTTE: NEDERLAND IS EEN ONGELOOFLIJKE MAGNEET VOOR BEDRIJVEN
De langstzittende premier pareert kritiek van bedrijven op wat zij zien als grillig overheidsbeleid. ‘De bedrijvenlobby moet tussen al het loof ook de dorre takjes aanwijzen. Dat is hun taak.’
Mark Ruttes werkkamer in het Torentje is de cockpit van het koninkrijk, een plek met uitzicht en overzicht die historie ademt en naar macht ruikt. Een gesprek met de minister-president gaat over een wereld in oorlog, een gaaf land in verwarring en zijn ambitie om door te gaan ondanks de zichtbare worsteling met zijn gezag en (populariteit). ‘Ik heb de energie en de ideeën. Dus als ik nu zou moeten kiezen: ja’.
Aan de muur hangt het portret van zijn verre voorganger, de liberaal Pieter Cort van der Linden (1913-1918). Rutte citeerde hem toen hij twee jaar geleden aftrad vanwege het kinderopvangtoeslagschandaal. ‘De staat dringt de overmoedigen terug, beschermt de zwakken, verdeelt de risico’s, en stelt zich in het haastig gedrang aan allen tot gids.’ Een hoge norm, zei Rutte destijds, waaraan de overheid niet had voldaan.
In de coronacrisis en de confrontatie met de gevolgen van de Russische agressieoorlog in Oekraïne, die uitbrak vlak nadat zijn vierde kabinet begin 2022 was aangetreden, wordt meer dan ooit sinds de Tweede Wereldoorlog een beroep gedaan op die kernfuncties van de staat. En op het leiderschap van Rutte. Al blijft de recordpremier en VVD-leider huiverig om als gids de natie door deze onzekere en ontwrichtende tijden te leiden.
‘Ik moet oppassen dat ik het premierschap niet boven het team uit til. Dat mag het niet zijn’, zegt Rutte op de vraag waarom hij zich niet vaker rechtstreeks tot de natie richt, zoals hij deed in de coronacrisis en recent met de excuses voor het Nederlandse slavernijverleden. Achteraf had hij dat kunnen, misschien wel móéten doen na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, erkent hij.
Voelt u dat nog steeds zo, dat u de eerste onder gelijken bent en niet boven de rest mag uitstijgen?
‘Ik ben lid van het team en heb niet wat de Duitse bondskanselier heeft, een aanwijzingsbevoegdheid.
Ik snap dat ik in de beeldvorming de baas lijk. Maar we hebben niet voor niets de constitutie die we hebben. We hebben eigenlijk altijd een collectief leiderschap gehad. Dat maakt het land sterk. Wij zijn een land van minderheden die tot compromissen moeten komen en gedwongen zijn tot samenwerking.’
De kracht van het compromis en samenwerking staan onder druk. Blijft Nederland solidair met Oekraïne als de oorlog lang doorgaat of escaleert?
‘Ik ga er niet om smeken. We zijn uiteindelijk een volwassen land en een democratie. Je benoemt de feiten en de risico’s als we niets doen. Er is voor onze benadering brede steun. Als het echt aankomt op de fundamentele discussie over waarden en onze veiligheid, dan staan we er. In heel Europa. Sinds München 1938 weten we dat als je een agressor niet stopt, hij doorgaat. Dat is een les die wij diep in onze nationale identiteit hebben verankerd.’
‘Maar de oorlog is niet zomaar voorbij in 2023. We moeten dus nadenken over hoe we omgaan met de gevolgen, zoals de hoge energieprijzen, als het conflict langer duurt. Welk type steun hoort hierbij? Hoeveel kunnen we nog uitgeven? De overheid moet een schild zijn voor de samenleving als die geconfronteerd wordt met plotselinge schokken, maar dat schild kan niet zo oneindig groot blijven als nu het geval is.’
Het zou helpen als de overheid in staat is veel gerichter steun te bieden aan de lagere inkomens.
‘Of dat kan, daar zijn we nu naar aan het kijken. Je ziet het natuurlijk knellen in de uitvoering. Professionele dienstverleners zoals de Belastingdienst hebben ons gewaarschuwd dat zij niet alles kunnen uitvoeren. Ik heb ze bezocht. Er moeten veel historische problemen worden opgelost. Opeenvolgende kabinetten, ook voor mijn tijd, hebben te lang extra taken en wetgeving bij hen over de schutting gegooid zonder vooraf te vragen: hoe kijken jullie hier tegenaan, kunnen jullie dit wel uitvoeren? Die fout moeten wij als politiek niet nog eens maken. Dat betekent wel dat gerichte steun een stuk lastiger te regelen is.’
De eensgezindheid en solidariteit waarmee Rutte in Brussel samen met zijn collega-regeringsleiders een antwoord zocht op Poetins barbarisme, waren in eigen land afgelopen jaar vaak ver te zoeken. Ruim twintig jaar na de Fortuyn-revolte wordt politiek Den Haag opnieuw geconfronteerd met groeiend maatschappelijk onbehagen. Het vertrouwen binnen de samenleving in het kabinet, de Tweede Kamer én de premier daalde naar een bedenkelijk niveau.
Het kabinet worstelde met zichzelf en met de taaie problemen die schreeuwen om een oplossing, van stikstof en de asielopvang tot de woningbouw en de jeugdzorg. Problemen die ook hun oorsprong vinden in eerdere kabinetten-Rutte.
Laat deze stapeling van voortslepende problemen niet het onvermogen van de overheid zien om nog grote vraagstukken op te lossen?
‘Ik trek ze toch uit elkaar. Want als we er een grote hoop van maken, is het waar wat jullie zeggen. Dan denk je: jeetje wat een berg. Maar dat is niet waar. Die berg bestaat uit onderdelen en die moet je afzonderlijk van elkaar oplossen. Alleen, dat doe je niet zo maar even. Dus ja, ik denk dat die overheid zeker in staat is die grote problemen op te lossen. Maar de discussie met de samenleving moet wel zijn dat dit niet meteen lukt. En het zal ook niet altijd precies goed zijn. Er zullen altijd mensen of groepen zijn die zullen zeggen: dit is te veel of te weinig’.
Kritiek op het functioneren van de politiek valt de laatste jaren ook steeds vaker te horen in de bestuurskamers van de BV Nederland. Ondernemers maken zich zorgen over het in hun ogen grillige overheidsbeleid, bestuurlijke verlamming, lastenverzwaringen en de denigrerende toon waarover in de politieke arena soms over het bedrijfsleven wordt gesproken. Een giftige combinatie die het Nederlandse vestigingsklimaat aantast, ageert de bedrijvenlobby.
Rutte reageert assertief op de hem voorgehouden kritiek. Hij wijst op de ‘twee grote disruptors’ in de afgelopen twee jaar. ‘De eerste was corona. We hebben tientallen miljarden gestoken in steunpakketten voor burgers en bedrijven, waarvan ik de stelling aandurf dat dat de beste steunpakketten van Europa waren. Die steunpakketten waren enorm goed getarget, wat spectaculair goed heeft geleid tot behoud van werkgelegenheid en economische kracht. Daardoor zijn we met straalmotoren de coronacrisis uitgekomen. En nu worden er weer tientallen miljarden vrijgemaakt om mensen en bedrijven te helpen om de Oekraïnecrisis door te komen. Dat zeg ik dan ook tegen de bedrijven.’
Dus u vindt die zorgen en kritiek onterecht?
‘Ja luister, ik doe natuurlijk veel zaken met lobby- en belangenorganisaties. Hun taak is natuurlijk niet om hier te komen en te gaan loftuiten wat we allemaal goed doen. Zij moeten tussen al het loof ook de dorre takjes aanwijzen. Dat is hun taak. En die dorre takjes zijn er ook wel te vinden. Maar echt, ons vestigingsklimaat is ongelooflijk sterk. We zijn sinds 2010 uitgegroeid tot een van de rijkste economieën ter wereld, we hebben topuniversiteiten, in Europa zijn we de nummer één of twee als het gaat om scale-ups.
Wij zijn een ongelooflijke magneet voor bedrijven.’
Zorgen zijn er bij Rutte wel over de Amerikaanse Inflation Reduction Act (IRA), waarmee president Joe Biden het Amerikaanse bedrijfsleven ertoe wil verleiden te verduurzamen. In totaal ligt er voor zo’n $370 mrd aan subsidies en belastingvoordelen klaar. Als antwoord op de IRA pleitte Commissievoorzitter Ursula von der Leyen voor een nieuw, gemeenschappelijk Europees fonds om de eigen industrie te steunen en voor verruiming van de staatssteunregels.
In het ‘optuigen van allerlei nieuwe Europese projecten’ (lees: de uitgifte van gemeenschappelijke schuld, red.) ziet Rutte niets. Ook moeten soepelere regels voor staatssteun niet leiden tot een race to the bottom. Maar Rutte wil Nederland wel koploper maken met verduurzaming van de zware industrie. Het kabinet probeert daarvoor zogeheten maatwerkafspraken te maken met de grootste twintig uitstoters, zoals Dow, Yara en Tata Steel. Als zij minder CO₂ uitstoten, kunnen ze rekenen op miljardensubsidies. ‘Ik had gewild dat die hoofdkantoren hier waren gebleven’, zegt Mark Rutte over de verhuizing naar het buitenland van de bestuurskamers van Shell en Unilever.
U wilt deze bedrijven koste wat het kost behouden voor Nederland?
‘Ja, ik ben ervan overtuigd dat je dat moet proberen. Het kost anders niet alleen heel veel banen, maar je krijgt ook zo’n enorme carbon leakage naar andere landen. Wij hebben de komende jaren nog gewoon plastic, staal, chemische producten en geraffineerde olie nodig. Dan kun je er beter voor zorgen dat die bedrijven hier in Nederland hun productieprocessen vergroenen in plaats van te vertrekken. En ik ben ervan overtuigd dat het weer veel nieuwe banen gaat opleveren. Mijn voorspelling is dat in 2030 van de tien miljoen banen in Nederland, er één miljoen te vinden zijn in de nieuwe, groene economie.’
Wie zegt dat deze bedrijven over een paar decennia nog belangrijk zijn voor onze economie?
‘Het is én-én. Nederland moet een gemixte economie blijven. Je wilt niet alleen maar hightechbedrijven en dienstverlening, maar ook maakindustrie. Wij zijn de vijfde economie van Europa (lees: de EU, red.). Daar hoort een rijke schakering aan bedrijven bij.’
Schrikt u er nog wel eens van wakker dat on your watch Shell en Unilever zijn vertrokken?
‘Ik had gewild dat die hoofdkantoren hier waren gebleven. Dat een jongetje of meisje dat in Nederland gaat studeren weet: ik kan in Nederland een van de grootste bedrijven ter wereld gaan leiden. Dat is mooi. Maar het grootste bedrijf van Europa is inmiddels ASML, niet Shell. (ASML is niet het grootste bedrijf van Europa, wel Europa’s waardevolste technologiebedrijf, red.) Toch is het voor onze economie en ons vestigingsklimaat belangrijk dat die hoofdkantoren hier zijn gevestigd, helder. Anders had ik die strijd ook niet gevoerd (lees: Ruttes mislukte poging om de dividendbelasting af te schaffen, red.). Maar op een gegeven moment moet je ook zeggen: ik heb iets geprobeerd maar dat is spectaculair mislukt. Dat hoort ook bij mijn baan.’
Begin augustus loste Rutte (55) wijlen Ruud Lubbers (CDA, 1982-1994) af als langstzittende premier van Nederland. In de afgelopen twaalf jaar was hij een van de weinige politici die goed konden omgaan met de toenemende polarisatie en fragmentatie in politiek en samenleving. Dat komt door zijn pragmatische inborst, zeggen kenners. Rutte leidde eerst een kabinet waar ‘rechts Nederland zijn vingers bij aflikt’, sloot vervolgens een verbond met de PvdA en ging ten slotte door het midden met D66, CDA en ChristenUnie.
Kabinetten ook die wisselende opvattingen hadden over de rol van de overheid in economie en samenleving. Terwijl Rutte I en II het evangelie predikten van zelfredzaamheid, een kleine overheid en eigen verantwoordelijkheid, probeert Ruttes vierde kabinet op tal van terreinen — van ruimtelijke ordening tot de woningmarkt — ‘de regie weer terug te pakken’.
Uw opvatting over de rol van de overheid lijkt veranderd?
‘Een liberaal praat liever over de staat dan over de overheid, want de overheid is boven ons geplaatst. Maar nee, ten fundamentele is mijn opvatting niet veranderd. En die is dat elk dubbeltje dat de staat uitgeeft, moet worden verdiend. Dat doen jullie lezers, de ondernemers.’
‘Maar als liberaal heb ik ook altijd gezegd dat de overheid er is als schild voor de zwakken. Daarom hebben wij ook enorme inkomensoverdrachten in dit land, via de sociale zekerheid en de gezondheidszorg. Dat is ook logisch, dat hoort bij Nederland. Dat maakt dat deze samenleving cohesie heeft. Als iemand buiten zijn schuld zijn baan verliest of ziek wordt, dan moet de overheid iemand niet door het ijs laten zakken, maar een fatsoenlijke uitkering bieden. Dat vind ik een enorme verworvenheid van dit land. De belangrijkste plek waar alle groepen in de samenleving elkaar tegenkomen, is het ziekenhuis. Daar maakt het totaal niet uit wat je verdient of waar je vandaan komt, je ligt allemaal naast elkaar in bed.’
‘Tegelijkertijd moeten gekke ideeën en innovaties in cultuur en bedrijfsleven alle ruimte krijgen. Het optreden van de staat moet maatschappelijke initiatieven niet belemmeren. Een sterke staat betekent niet automatisch een grote staat.’
Wie zeggen er nog tegen u na al die jaren dat u aan het roer staat: dit doe je goed en dit doe je niet goed?
‘O nou, bij ons intern is het een flipperkast. Dat wordt keihard gedaan hoor. Er is nul consideratie met mijn gevoelens. Er gaan natuurlijk ook heel veel dingen niet goed. Ook binnen de VVD niet. In november hadden we nog dat hele gedoe binnen de partij over asiel. Die feedback wordt dan in blokletters uitgeserveerd.’
Krijgt u ook de feedback om er na uw vierde kabinet mee te stoppen?
‘Nee. Voor mijzelf geldt dat als wij naar de volgende verkiezingen kruipen, ik moet besluiten of ik door wil. Op dit moment heb ik de energie en de ideeën. Dus als ik nu zou moeten kiezen, zeg ik ja. Maar die keuze maak ik pas richting de volgende verkiezingen. En dan moet mijn partij ook nog zeggen: “Hé Mark, leuk dat je door wilt”.’
Viel het u ook op dat u het grootste applaus kreeg op het laatste VVD-congres toen u het had over …
‘Dat was voor Edith (Schippers, red.)!
Ja, ik ben dol op d’r. Mensen zijn zo trots en blij dat zij weer terugkeert in de politiek (als lijsttrekker voor de Eerste Kamer, red.). Ik ben een enorme fan. We hebben samen tussen 2006 en 2010 de fractie geleid in de moeilijke tijd in de oppositie na Rita Verdonk. In de VVD is bijna iedereen al weer vergeten dat we toen bijna waren verdwenen. Men denkt dat wij altijd de grootste zijn, nou nee hoor. We waren destijds de vierde partij van het land, zelfs de SP was groter. Edith en ik hebben toen zo intensief samengewerkt. Die vertrouwensband is altijd gebleven.’
