CARBON CREDITS VERHANDELEN NIET ZO SIMPEL ALS HET KLINKT
“Het verhandelen van carbon credits op de internationale carbonmarket is niet zo simpel als het klinkt”, zegt minister Sylvano Tjon Ahing van Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM). Volgens hem wil, niet omdat Suriname primair bos in stand heeft gehouden, het zeggen dat er ook carbon credits voor het oprapen liggen die verhandeld kunnen worden. Carbon credits zijn een hoeveelheid aan vastgehouden CO-2, door onder andere bossen. Het verminderen van CO-2 uitstoot is een van de belangrijkste internationale klimaatdoelen die de internationale gemeenschap zich heeft gesteld.
Volgens Tjon Ahing is het vraagstuk van carbon credits een blijvende uitdaging, dan alleen het vasthouden van CO-2 door bossen. Die uitdagingen hebben, in het geval van het Surinaams bos, te maken met de houtkap, de mijnbouw, het slepend vraagstuk rond grondenrechten voor Inheemsen en in Tribale volkeren, maar ook culturele gebieden die er zijn in het achterland van Suriname. “Dat zijn allemaal zaken die een drempel kunnen zijn voor het produceren van carbon credits. Die worden niet ergens in een fabriek gedaan, maar moeten er randvoorwaarden zijn om te kunnen praten over carbon credits”, zegt de minister. Suriname kan ook niet vanzelf zeggen dat het carbon credits heeft geproduceerd en die wilt verhandelen, zonder dat daartegenover een certificering van de credits heeft plaatsgevonden. Dit certificeren gebeurd alleen door internationaal erkende certificeringsbedrijven die op basis van internationale standaarden te werk gaan.
Wat nu wel wordt aangepakt is het initiëren van projecten met veel meer efficiëntie, die als carbon credit projecten bestempeld kunnen worden. Die efficiëntie houd in dat er veel minder houtkap zal plaatsvinden en dat de houtkap gericht is op het in stand houden van bossen. De toename van bos en dus ook de toegenomen CO2 hoeveelheid zal cruciaal zijn.
“Dus we kunnen alleen verhandelen het verschil tussen wat er was en wat er is bijgekomen. Niet wat er is. Daarom is het niet zo dat we een voorraad hebben aan carbon credits”, legt Tjon Ahing uit.
Suriname heeft, na de klimaatconferentie in Parijs in 2015, net als andere landen een ‘Nationally determined contributions’ (NDC) plan opgesteld. Hierin geven de landen aan wat zij zelf doen om bij te dragen aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen als CO2 in de atmosfeer. In dat plan heeft Suriname de wereld toegezegd haar beschermd natuurpark te zullen uitbreiden van 14 procent naar 17 procent van het landoppervlakte. “Dat is een hele simpele manier om te kunnen komen aan carbon credits en zullen er zeker bedrijven bereid zijn die te financieren”. Er is echter ook hier een uitdaging. De inkomsten uit carbon credit projecten mogen niet automatisch naar de staatskas maar primair de lokale gemeenschappen ten goede moeten komen. Suriname zal wel kosten hebben aan betere controle op houtkap en de goudsector. Er zullen controlerende organen in het leven geroepen moeten worden. Dus wanneer ik het heb over carbon credits te verhandelen dan heb ik het hierover, omdat wanneer die capaciteit er niet is kan je niet aan de standaarden voldoen”, zegt de ROM-minister. Hij wijst er op dat het land een enorme bosbedekking heeft en een uitgestrekt gebied aan houtkapconcessies, maar dat er nog niet eens 30 boswachters zijn. Dit soort aspecten moeten in orde worden gemaakt, anders zullen de projecten niet succesvol zijn”, zegt Tjon Ahing.
Een andere uitdagingen voor Suriname is, hoe het land Carbon negatief te behouden. Suriname is carbon negatief omdat haar uitstoot op de internationale index te verwaarlozen is. Maar volgens de bewindsman zal het, met de opkomende olie en gasindustrie in Suriname en ware uitdaging zijn dat ook zo te houden. “Dus het hele verhaal van carbon credit is een boekhouding. Wij zijn carbon negatief, terwijl de meeste landen in de wereld carbon positief zijn, wat betekent dat zij veel meer uitstoten dan ze absorberen.”. zoals in het NDC is aangegeven stuurt Suriname het er op aan dat met alle voorgenomen projecten ervoor gezorgd wordt dat wanneer de olieproductie begint, de uitstoot verhoogd wordt vanwege de oliesector en uit de spin-off van die sector, er compenserende projecten zijn. Dit zal betekenen dat er veel meer in het bos geïnvesteerd zal moeten worden als ook in nieuwe technologie zoals het invoeren van elektrische auto’s en zonnepanelen in het binnenland “Overal waar we kunnen sparen aan uitstoot zullen we moeten aangrijpen”, zegt Tjon Ahing.
UNITEDNEWS
