COALITIE EN OPPOSITIE ONEENS OVER WETTELIJKE FACILITERING DERDE RECHTERLIJKE INSTANTIE

De behandeling van voorstellen om cassatierechtspraak in Suriname wettelijk te verankeren heeft in De Nationale Assemblee (DNA) nog geen uitsluitsel opgeleverd over de instantie die deze taak uiteindelijk moet vervullen. Uit de parlementaire beraadslagingen blijkt dat er voorlopig geen eensgezindheid bestaat over de vormgeving van een derde rechterlijke instantie. Waar de coalitie de nadruk legt op het scheppen van een constitutioneel kader dat toekomstige wetgeving mogelijk maakt, pleit de oppositie juist voor meer duidelijkheid vooraf over de praktische uitwerking en gevolgen.

In de discussies tekenen zich twee mogelijke routes af. Aan de ene kant staat de oprichting van een nationale Hoge Raad, aan de andere kant wordt aansluiting bij het Caribisch Gerechtshof (Caribbean Court of Justice, CCJ) genoemd als alternatief. Deze keuze blijkt politiek gevoelig en leidt tot uiteenlopende standpunten, zowel tussen coalitie en oppositie als binnen de afzonderlijke fracties.

VHP-parlementariër Cheryl Dijksteel benadrukte dat een grondwetswijziging niet los kan worden gezien van de daadwerkelijke invulling van cassatierechtspraak. Volgens haar heeft de CCJ zich binnen de regio bewezen als een onafhankelijke en goed functionerende derde instantie. In dat licht acht zij het onvoldoende om slechts een algemene opening in de Grondwet te creëren, zonder richting te geven aan de institutionele keuze.

Vanuit de NDP-fractie stelde Ebu Jones daarentegen dat de Grondwet vooral ruimte moet bieden voor de instelling van cassatierechtspraak, zonder nu al vast te leggen of dit via een eigen Hoge Raad of via de CCJ zal verlopen. Hij verwees naar geluiden uit de rechterlijke macht en wees erop dat Suriname op grond van internationale verplichtingen gehouden is te voorzien in cassatierechtspraak. De concrete uitwerking kan volgens hem op een later moment via wetgeving worden bepaald.

NDP-fractieleider Rabin Parmessar voegde daar een kritische noot aan toe door te stellen dat het prematuur is om nu al te sturen op aansluiting bij het Caribisch Gerechtshof.

Hij wees op tal van openstaande kwesties, waaronder de financiële impact, de taal waarin procedures worden gevoerd en de organisatorische inrichting van een eventuele CCJ-vestiging in Suriname. Volgens Parmessar dient eerst de constitutionele basis te worden gelegd, waarna in een breder maatschappelijk en wetgevend traject kan worden vastgesteld welke institutionele oplossing het meest passend is.

UNITEDNEWS

 

 

Facebook Comments Box