COLUMN: THE LOST GENERATION?
Het blijft een raadsel. Nee, niet waarom we binnen korte tijd een bij crisis hebben. Die heeft zijn oorzaak in een ander raadsel: “How do you call one hundred lawyers tied to the bottom of the ocean?” (antwoord: “a good start!”). Het raadsel waar nog steeds geen tevreden antwoord op is, luidt: “ra ra, hoe kan een land potentieel erg rijk zijn, maar toch steeds armoediger worden?”. Voor mij zelf is dat antwoord na het laatste avontuur meer dan duidelijk. Als je namelijk door de enige onderwijsinstantie in het hoger technisch onderwijs, waar je al meer dan een decennium hard aan de weg timmert, bij de eerste de beste poging om het zinkende schip te redden, bij het vuil op staat wordt gezet, gaan een paar lichten branden. En in dat licht wordt dan heel veel zichtbaarder dat zich in het donker kon verschuilen. En wat helder en duidelijk zichtbaar werd is de eigenlijke oorzaak van ons falen als natie. Vandaag de dag is de wereld letterlijk dichtbij en dan is het niet moeilijk om te concluderen dat wij eindelijk ergens eens tot “the best in class” behoren. Dat het structureel op een verkeerde manier investeren in onderwijs, het vrijwel niet investeren in onderzoek, het niet meer verstrekken van studiebeurzen voor studeren aan gerenommeerde universiteiten, het aannemen van discutabele accreditatiewetten, een decennialang onbehoorlijk bestuur op het belangrijkste ministerie, vervagen van kwaliteitsnormen die aan onderwijzers en leerkrachten worden gesteld, een ziekelijke bemoeienis van “de politiek” in de samenstelling van directies en besturen van onderwijsinstellingen en instituten, een belangrijke en misschien wel de belangrijkste oorzaak is, beseft een ieder die zijn of haar grijze massa niet slechts ter opvulling van een ledige ruimte heeft. Maar dit is niet de oorzaak die in het licht te zien was.
Deze oorzaak vraagt toch een kleine duik in de recente geschiedenis van het mooiste land van de wereld. En ik bedoel geen geschiedenis van feiten en gebeurtenissen, maar een geschiedenis van de mentaliteit en levenshouding van zij die zich gelukkig mogen prijzen om in dit land geboren mogen worden, opgroeien, ondergaan en sterven. Lang, lang geleden, zeg maar in de tijd van de mensen die nu boven de 100 zijn en ouder, was er niet zoiets als “lanti” waar je “een werk” kon vinden. Ja, lanti was er wel maar om in je bestaan te voorzien moest er keihard gewerkt worden. Wie niet werkte, had gewoon niet te eten. Natuurlijk waren en zijn Surinamers, Surinamers dus een bordje eten was altijd wel te vinden. Maar aan het eind van de dag niet kunnen vertellen wat je precies had gearbeid, kwam niet al te vaak voor. In die tijd wisten de mensen ook heel goed wat de noodzaak van kennis en kunde is. Daarom begonnen de eerste onderwijzersopleidingen, ambachtsscholen en Surinamertjes steeds vaker te vertrekken naar Holland om verder te leren. En als je had geleerd, dan kwam daar vanzelf het respect van anderen bij. “Pride is a very bad guide”, maar wij mensen houden wel van een kleine in-de-hemel-prijzing. Zolang dit maar niet wordt gepraktiseerd. Het respect kwam natuurlijk niet voor het bezit van de kennis, maar vooral voor datgene wat met die kennis gedaan werd. Want het harde werken voor de centen, verdween niet! Na de oorlog begon heel snel de welvaart daarom ook toe te nemen. Niet in de laatste plaats ook door de opkomst van de bauxietindustrie, die zorgde voor een enorme geldstroom richting de overheid. Jammer genoeg begon ook de politiek zoals wij haar vandaag kennen, zich te ontwikkelen.
En met die politiek ook het opportunistisch banen scheppen in de ambtenarij.
Geld genoeg toch? In eigenlijk best wel rap tempo veranderde de noodzaak tot arbeid in het arbeiden zonder noodzaak. Gelijktijdig nam ook het aantal mensen dat aan de beste Universiteiten die het kleine landje aan de Noordzee te bieden heeft een graad behaalde, toe. En van dit deel kwam een groot deel weer naar huis toe, om er zijn of haar kennis ten eigen en algemene nutte te stellen. Maar…..deze hele generatie goed geschoolden is bijna in haar geheel bij de overheid komen te werken. Of als zij in het private bedrijf terecht kwam, was het ook in een zeker gespreid bedje. Kortom, deze generatie heeft eigenlijk nooit echt hoeven te werken om te kunnen (over)leven. Eind van de maand was daar het salaris, ongeacht of er meetbaar gepresteerd was. De tijd waarbij de dag werd afgesloten met oeverloos gezwam over verschillende soort politiek bestuur en geweldige ontwikkelingsplannen voor Suriname, was aangebroken en de gesprekken over resultaten van geleverde arbeid waren verleden tijd. En omdat nu eenmaal de gewoonte was ontstaan om geschoolde mensen met een zeker respect te behandelen, is dit een generatie die daar ook heel erg op gebrand is daarmee invulling gevende aan de bovenstaande trotse stelling. Niet voor niets hebben wij in jaren ’70 van de vorige eeuw een heuse lijst van academici in het telefoonboek gehad (te vinden onder de “a”). Deze uitzonderlijk goed geschoolde generatie heeft in principe niet veel gedaan met die kennis. Dat hoefden zij immers niet. Het waren wel heel goede leerkrachten op school, wat weer het zoveelste bewijs is van wat er eigenlijk mis is met ons onderwijs (de deplorabele staat van de kwaliteit van het onderwijzend personeel).
Van deze generatie zijn het thans de laatste exponenten nog de dienst uitmaken in ons land. Straks is dit voorbij, daar zorgt de natuur wel voor. Hoe zit het dan met de generatie daarna? Die generatie heeft zich in veel kleinere getale kunnen scholen aan die top universiteiten. Een aanzienlijk deel die dat wel heeft kunnen doen noemt zich vandaag “de diaspora” en dient sinds het afronden van de studie een andere aardgodin. Op een enkele oprisping na, heeft deze generatie ook niet echt hoeven te werken voor hun geld. De doctorandussen en ingenieurs zijn grotendeels vervangen door de Masters of Science van een iets minder “gehalte”, met als triest resultaat de grootste kolder situaties die wij vandaag de dag meemaken. Pas is de wereldwijde Innovation Index uitgekomen. Durft U te raden welk land niet op de lijst voorkomt? Misschien komen wij wel eens een keertje voor op die lijst. Ergens aan top. Maar dan moet er veel, heel erg veel veranderen. Wij zouden kunnen beginnen om eindelijk eens meetbare prestaties te eisen van hen die wij gezamenlijk voorzien van hun dagelijkse brood en het lef hebben om ons als tegenprestatie grootse wanprestaties te leveren.

COLUMNIST | ROGIER CAMERON