COLUMN | PESTICIDENDEBAT LEGT EEN GROTER PROBLEEM BLOOT: WIE DRAAGT DE VERANTWOORDELIJKHEID?

Business Radio: Na de Uitzending….. Wat mij in de uitzending van deze week het meest opviel, was niet alleen het onderwerp pesticiden, maar vooral de spanning aan tafel. Op papier ging het over residuen op groenten, toegestane en verboden middelen, gezondheidsrisico’s en controle. In werkelijkheid ging het over een veel fundamentelere vraag: wie draagt de verantwoordelijkheid als voedselveiligheid onvoldoende is geborgd?

Aan tafel zaten Zoë Deceuninck, journalist en hoofdredacteur van Parbode Magazine, en landbouwer en landbouwingenieur Charle Wilfred. Zoë verdedigde het belang van het Parbode-onderzoek naar pesticiden op lokaal geteelde groenten. Charle ging daar behoorlijk stevig tegenin. Niet omdat hij voedselveiligheid onbelangrijk vindt, maar omdat hij vond dat landbouwers door het artikel te gemakkelijk in een negatief daglicht werden geplaatst.

En precies in dat spanningsveld zat voor mij de echte waarde van het gesprek.

Zoë keek vanuit het publieke belang: wat zit er op ons voedsel en wordt daar voldoende op gecontroleerd? Charle keek vanuit de landbouwpraktijk: begrijpen we eigenlijk wel wat ervoor nodig is om in Suriname voedsel te produceren?

Beide perspectieven zijn relevant.

Want het is makkelijk om van pesticiden een simpel verhaal te maken. De landbouwer gebruikt bestrijdingsmiddelen, dus daar ligt het probleem. Maar landbouw bedrijven in een tropisch klimaat betekent werken met insecten, schimmels, plantenziektes en weersomstandigheden die in korte tijd een belangrijk deel van een oogst kunnen vernietigen. Gewasbescherming is daardoor niet automatisch iets slechts. Zonder enige vorm daarvan zou een deel van onze landbouwproductie waarschijnlijk nauwelijks rendabel zijn.

Daar had Charle een belangrijk punt.

De vraag is dus niet simpelweg óf landbouwers pesticiden gebruiken. De vraag is welke middelen worden gebruikt, in welke hoeveelheid, op welk moment en onder welke controle.

En dan wordt het verhaal ineens veel groter dan de individuele landbouwer.

Welke middelen mogen worden geïmporteerd en verkocht? Wie zorgt ervoor dat landbouwers weten wat wel en niet is toegestaan? Zijn veiligere alternatieven beschikbaar én betaalbaar? Hoe structureel worden groenten getest? En wanneer verboden middelen worden aangetroffen: weten we dan hoe ze in de productieketen terecht zijn gekomen?

Dat zijn systeemvragen.

Tegelijkertijd vond ik dat Zoë een punt maakte dat niet mag verdwijnen in de verdediging van de sector.

De consument heeft recht op informatie.

Ook wanneer een onderzoek beperkt van omvang is. Ook wanneer aangetroffen residuen niet automatisch betekenen dat de volksgezondheid direct in gevaar is. En ook wanneer de uitkomsten voor landbouwers ongemakkelijk zijn.

Journalistiek hoort vragen te stellen wanneer verboden of ongewenste stoffen worden aangetroffen. Dat is geen aanval op de landbouwsector.

Maar journalistiek moet feiten wel in context plaatsen.

En juist daarin vond ik de botsing tussen Zoë en Charle uiteindelijk productief.

Zoë stelde de vraag die gesteld móét worden: weten wij voldoende wat er op ons voedsel zit?

Charle stelde de vraag die daar direct achteraan hoort: begrijpen wij voldoende wat ervoor nodig is om dat voedsel überhaupt te produceren?

Beide vragen zijn legitiem. En Suriname heeft er niets aan wanneer we één van de twee wegdrukken.

Want als we alleen de sector beschermen, ontstaat gemakzucht.

En als we alleen de sector bekritiseren, ontstaat defensiviteit.

Geen van beide brengt de landbouw verder.

Daar komt nog iets bij. Wij hebben in Suriname soms de neiging om systeemproblemen terug te brengen tot één persoon of één groep.

Als er iets misgaat met voedselveiligheid, kijken we naar de landbouwer.

Maar als verboden middelen verkrijgbaar zijn, is dat niet alleen een probleem van de landbouwer. Als voorlichting onvoldoende is, evenmin. Als controles incidenteel zijn, ook niet. En als de consument nauwelijks kan vaststellen welk product aantoonbaar verantwoord is geproduceerd, hebben we het over een zwakke keten — niet alleen over een individuele producent.

Dat ontslaat de landbouwer niet van verantwoordelijkheid. Maar het plaatst die verantwoordelijkheid wel in het juiste perspectief.

Het is voor mij daarom niet landbouw óf journalistiek.

Het is landbouw én journalistiek.

We hebben kritische journalistiek nodig die onderzoekt en ongemakkelijke vragen stelt. We hebben landbouwers nodig die duidelijk maken wat in de praktijk wel en niet uitvoerbaar is. En boven beide hebben we een overheid nodig die zorgt voor duidelijke regels, goede voorlichting, structurele controle en betrouwbare laboratoriumcapaciteit.

Daar zit voor mij uiteindelijk de kern van deze uitzending.

Voedselveiligheid bereik je niet door de landbouwer tegenover de journalist te zetten.

Je bereikt het wanneer journalistiek, landbouwpraktijk en overheid elkaar dwingen naar dezelfde keten te kijken.

De les van deze week is voor mij daarom helder: als we alleen de landbouwsector verdedigen, kunnen echte problemen worden gebagatelliseerd. Maar als we alleen naar de landbouwer wijzen, maken we van een systeemprobleem een individueel schuldverhaal.

Geen van beide helpt ons verder.

Voedselveiligheid begint wanneer iedereen in de keten zijn verantwoordelijkheid kent — én neemt.

ADVERTORIAL |  BUSINESS RADIO

 

 

 

Facebook Comments Box