DE CONSTRUCTIE WAARBIJ BESTUURDERS IN HUN FUNCTIONEREN DEELNEMEN AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE
Ingezonden: Mr. M.A. Castelen, LLM & LLM
Paramaribo 25 augustus 2022 – DEELNAME AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE is de strafrechtelijke constructie die het Openbaar Ministerie (OM) heeft uitgevonden en gehanteerd in individuele strafzaken tegen de bestuurders Hoefdraad, Van Trikt en Kromosoeto.
In het kader van de democratie, rechtstaat en mensenrechten, is de wijze van toepassing van deze strafrechtelijke constructie op het functioneren van het bestuur, niet zonder risico. Het risico zit vooral in de onderbouwing van de toepasselijkheid van die constructie en het ondermijnend effect daarvan op de beleidsvrijheid van bestuurders die met zeer complexe vraagstukken te maken hebben.
Voor de rechtsontwikkeling zijn de drie genoemde strafzaken zeer interessant, omdat zij, ongeacht wat er in hoger beroep beslist zal worden, nu reeds aangemerkt kunnen worden als ‘landmark cases’. Voor de toekomst zullen deze uitspraken het juridisch functioneringskader medebepalen voor personen belast met bestuurlijke bevoegdheden in Suriname.
Op eerste oogopslag komt de introductie van deelneming aan een criminele organisatie als toetsingscriterium van bestuurlijk handelen sympathiek over. Het beoogt namelijk behoorlijk bestuur. Maar het risico op een averechts effect is groter dan misschien gedacht. Het wezenlijke van een criminele organisatie is, kort gezegd, dat die organisatie tot doel heeft strafbare feiten te plegen. Het moet gaan om een langdurig samenwerkingsverband, met een aantoonbare structuur en organisatiegraad. Deelnemen aan een dergelijke organisatie is dus strafbaar.
In de landmark cases heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat handelingen van personen met bestuurlijke bevoegdheden de Staat en/of de Centrale Bank van Suriname hebben benadeeld. Verder dat die benadeling een beoogd gevolg is geweest van een bewuste samenwerking tussen die bestuurders, waardoor die samenwerking voldoet aan de definitie van een criminele organisatie.
Nu vereist behoorlijk bestuur geïnformeerde en gedragen bestuurlijke besluitvormingsprocessen. Het kwalificeren van het samenwerken van bestuurders als een criminele organisatie, naar aanleiding van een eventuele benadeling van de Staat, is daarom risicovol.
Kijkend naar recent gepleegde handelingen waarbij de SLM, de Centrale Bank en de Staat benadeeld werden, valt op dat de eerste reactie van bestuurlijk verantwoordelijken is dat zij niets wisten van de gepleegde handelingen. Vervolgens weigeren zij om bestuurlijke verantwoordelijkheid te aanvaarden.
Is die houding van de bestuurders een uiting van angst voor vervolging op basis van deelname aan een criminele organisatie? Suriname behoeft bestuurders die staan voor het door hen gevoerde beleid en daarover verantwoording afleggen. Er is geen behoefte aan bange bestuurders die wegduiken voor hun verantwoordelijkheid uit angst voor vervolging wegens deelname aan een criminele organisatie.
Vaststaat dat de verantwoordelijken voor de benadeling van de SLM en de Staat door de regering zijn aangesteld.
Ook dat zij behoren tot de familie- en/of vriendenkring van regeringstoppers. Nadat een SLM-RvC-lid de benadeling van de SLM en de Staat onthulde, hebben de daartoe bevoegde bestuurders nagelaten de noodzakelijke maatregelen te treffen om een effectieve strafvervolging mogelijk te maken. Hoewel het parlement de regering en het OM daartoe had opgeroepen. Die nalatigheid heeft het mogelijk gemaakt voor personen genoemd in deze affaire om het land te ontvluchten.
Interessante vraag is of het OM in de SLM-zaak personen zal vervolgen voor deelname aan een criminele organisatie. Zal die vervolging plaatsvinden op basis van de gemaakte bestuurlijke afspraken en keuzes, en daardoor de zichzelf gevrijwaarde bestuurders betrekken? Denk daarbij aan de bewuste cliëntelisme-aanstellingen van de personen betrokken bij de benadeling van de SLM en de Staat. Ook het onzorgvuldig handelen van de verantwoordelijken binnen het OM en de regering ter zake het vluchtgevaar. Een duidelijke samenwerking tussen personen heeft geleid tot de benadeling van de SLM en de Staat. Contracten zijn getekend, goedkeuringen zijn verleend en uitbetalingen zijn gedaan. Hierdoor zal moeten worden vastgesteld of uitgesloten dat er sprake is van een criminele organisatie met als doel benadeling van de SLM en/of de Staat. Welke bestuurders zullen als leden van die organisatie worden aangemerkt? Wie wist, deed mee, verzweeg of verhulde informatie of wist echt niets?
Rechtsbeginselen, zoals een eerlijke en goede rechtspleging en rechtsgelijkheid, schrijven een gelijke toetsing als in de landmark cases vrijwel dwingend voor. Deze ontwikkeling zet de vereiste samenwerking tussen bestuurders in het kader van behoorlijk bestuur en ook de beleidsvrijheid, zwaar onder druk. Welke bestuurder zal voor een gezamenlijk genomen, goed bedoelde beleidsbeslissing die nadelig uitpakt meegesleept willen worden in een strafrechtelijk onderzoek als lid van een criminele organisatie?
Mr. M.A. Castelen is Advocaat, gespecialiseerd in staats- en bestuursrecht, mensenrechten en internationaal recht.
ANALYSE
