DEEL 2 | DEMOCRATISERINGSPROCES SURINAME IS OEFENING VAN VALLEN EN OPSTAAN
Het democratiseringsproces in Suriname heeft vanaf 1975 met de onafhankelijkheid een eerste valse start gemaakt. Het proces is anno 2019 verworden tot een die door wetenschapper Hans Lim a Po wordt getypeerd als een oefening van vallen en opstaan.
Bij het verkrijgen van een eredoctorale erkenning door de Anton de Kom universiteit van Suriname, sprak hij een rede uit die op deze website in delen, bewerkt wordt gepresenteerd. Lim A Po mocht na de rede zijn toegekende ere doctorale bul in ontvangst nemen. De universiteit heeft in verband met haar 50-jarig bestaan aan verschillende personen een eredoctorale onderscheiding toegekend.
Kronkelpad
De geschiedenis wijst uit dat militaire staatsgrepen veelal ‘bad habits’ worden. Na 1980 zijn in Suriname een aantal pogingen gedaan tot het plegen van een contra-coup. De invloed daarvan op het democratiseringsproces is niet duidelijk. Maar waarschijnlijk heft het sociaal vertrouwen binnen de samenleving in 1982 wel een deuk opgelopen toen vijftien vooraanstaande burger uit het maatschappelijk middenveld, allen openlijke pleitbezorgers van de democratie, zijn geëxecuteerd wegens vermeende pogingen tot destabilisatie van het militair regime.
Na de eerste poging tot democratisering in 1975, werd in 1987 een tweede poging ondernomen, met de overdracht van gezag door militairen aan burgers. Lim a po refereert naar de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington die ooit schreef dat een dergelijke overdracht de uitkomst is van onderhandelingen tussen het militair gezag en de burgerlijke oppositie. Volgens de politicoloog presenteren militairen zichzelf haast nooit als permanente heersers over hun land. Ze spreken immers altijd de verwachting uit dat zij de macht aan de burgers zullen teruggeven, zodra zij de samenleving hebben ‘genezen’ van de euvels die ertoe geleid hebben zij het heft in handen namen. In lijn met deze verwachting treden militairen op een bepaald moment in onderhandeling met de burgerlijke en politieke actoren over de overdracht van de macht. Daarbij stellen zij wel altijd als voorwaarde dat zij amnestie krijgen en hun verantwoordelijkheid voor nationale veiligheid gehandhaafd moet blijven. In Suriname ging het niet anders dan Huntington het heeft geschetst.
Factoren die in Suriname de onderhandelingen gunstig hebben beïnvloed zijn de benoeming van een assemblee en de liberalisering van het militaire regiem door versoepeling van enkele vrijheidsbeperkingen. Een belangrijk factor buiten het krachtenveld van militairen en politieke partijen was de binnenlandse oorlog die in 1986 begon. In essentie was dat gedreven door het streven naar verbetering van de positie van de binnenlandbewoners. De binnenlandse oorlog profileerde zich echter al snel als verzet tegen het militair bewind en vormde voor de militairen wellicht een extra overweging om de macht over te dragen.
Terugtreden is voor militairen relatief een eenvoudige stap. Daar staat tegenover wel dat het voor hen niet moeilijk is de macht weer over te nemen, wanneer als in hun perceptie een noodtoestand of hun belangen dat zou rechtvaardigen. Vandaar dat er in Suriname na de onderhandelingen ook een nieuwe grondwet kwam. Daarin werden de genoemde straffeloosheid en interventievrijheid in de artikelen 177 en 178 gewaarborgd. Deze grondwet is in 1987 bij referendum door het volk goedgekeurd en is nog steeds van kracht. Deze grondwet is onlangs door Fernandes Mendes gekarakteriseerd als een waarin de noodzakelijke staatkundige hervormingen ontbreken. De verkiezingen in 1987 werden gewonnen door de oude politieke partijen, die zich hadden gebundeld. De regering die aantrad had echter een kort leven. Met beroep op de artikelen 177 en 178, grepen de militairen in 1990 weer in met de kerstcoup en verlamden het burgerlijke gezag en het tweede democratiseringsproces. Onder internationale druk schreef het militair gezag toen verkiezingen uit voor 1991. Het resultaat daarvan leidde tot herstel van het democratiseringsproces.
Electorale democratie onder druk.
Bij de verkiezingen van 1996 hadden de militairen een dikke vinger in de pap, maar was er wel ruimte voor participatie. Onder druk van burgerprotesten werden in 2000 vervroegde verkiezingen gehouden die het herstel van het democratiseringsproces bevestigden. Daarna bleef het regiem tweeslachtig; getypeerd als en electorale democratie maar verward opererend in de grijze zone die onvolledige democratieën kenmerkt. Tweeslachtige democratieën waarborgen wel open en eerlijke verkiezingen en respecteren de uitslag, maar voldoe niet aan overige kwaliteitsdemensies van een volwaardige democratische rechtsorde. Bijvoorbeeld het aan burgers toekennen van rechten die vrijheid en gelijkheid respecteren, het toepassen van de beginselen van de rechtstaat die zorgen voor legitimiteit en transparantie, het afleggen van verantwoording en rekenschap zodat participatie en competitie gewaarborgd zijn en een open opstelling zodat kritiek van burgers ter harte kan worden genomen.
Een belangrijke ontwikkeling die het voldoen aan de minimale kwaliteitsvoorwaarden van de democratische rechtsorde bezwaart, is verlies van politiek vertrouwen. Dat vertrouwen in politieke instituties en de politieke elite is een voorwaarde voor het kunnen functioneren van de democratische rechtsorde. Verlies van politie vertrouwen leidt daarom tot verdere aantasting van het toch al zwakke en diffuse democratische en rechtsstatelijke gehalte van electorale democratieën.
Voor wat betreft de output laat de kwaliteit van bestuur in Suriname veel te wensen over. Een alomtegenwoordigheid en doordringende betrokkenheid van de overheid bij de economie werkt in het nadeel van de uitvoering van haar kerntaken en werkt vermenging van publieke en private belangen in de hand. Beginselen van behoorlijk bestuur maken bovendien geen deel uit van de cultuur van een kwantitatief en kwalitatief onderbezette bureaucratie. Aan de inputzijde biedt het kiesstelsel geen ruimte en vertrouwen dat de uitkomst van een verkiezing een positieve uitwerking heeft op de politiek. Volgens Fernandes Mendes heeft in Suriname over de grondslagen en het waarom van het staatkundig bestel geen bezonken gedachtevorming plaatsgevonden. Daartoe behoren ook het kiesstelsel en het systeem van vertegenwoordiging. Onduidelijkheid en onzekerheid dragen daarom in belangrijke mate bij aan het gebrek aan politiek vertrouwen in deze instituties. Deze input en output factoren maken van Suriname een ‘Low trust society’ dit is gebaseerd op indicaties van vermeende corruptie, stroperigheid, inefficiëntie in de bureaucratie, op willekeur en wetsongelijkheid in de relatie van de overheid tot de burgers en op aanwijzingen van machteloosheid of onwil van de staat om in te grijpen. Het populisme waarbij gebruikt wordt gemaakt van onvolkomenheden in de democratie is een typisch Surinaams voorbeeld. Sterke populistische leiders maken zich schuldig aan excessen omdat zij geloven dat zij op eigen gezag namen de massa spreken. Ze zijn daarom geneigd politieke tegenstanders als ‘vijanden van het volk’ weg te zetten. Zij claimen dat slecht zij de wil van de massa kanaliseren en uitdragen. Zij hechten weinig waarde aan institutionele e traditionele vertegenwoordigende democratie en aan juridische en institutionele rekenschap. Zij kiezen liever voor alternatieve media en fora. Doorgaans hebben zij weinig affiniteit met het parlement dat niet onder hun controle staat.
UNITEDNEWS
