EEN FORCE MAJEURE IN DE OFFSHORE OLIE EN GAS INDUSTRIE!
Ingezonden: Fariq Ishaak/Victor Koekkoek
Waarom een systematisch probleem structureel oplossen als je het aapje bij een ander op de schouder kan zetten. Dat is de verkokerde gedachte van de Regering Santokhi toen die het belastingwetsvoorstel Wet Bronbelasting bedacht. Dat verzinnen wij niet, dat staat met zoveel woorden in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel.
Wij citeren uit de memorie van toelichting: “Vooral bij buitenlandse bedrijven, die in Suriname activiteiten willen uitoefenen, is het vaak een “lijdensweg” voordat zij als belastingplichtige geregistreerd kunnen worden. Eerst moet er een zeer omslachtige en tijdrovende registratieprocedure bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken (KKF) worden doorlopen. Pas daarna kan met het registratiebewijs van KKF de registratie als (buitenlands) belastingplichtige bij de Belastingdienst worden gedaan. Als het een beetje tegenzit moet ook bij de Belastingdienst weer allerlei informatie worden overgelegd, waar vaak ook weer heel wat tijd in gaat zitten.
Bij sommige buitenlandse bedrijven, die slechts voor een relatief korte periode in Suriname een opdracht komen uitvoeren, zoals bijvoorbeeld in het kader van de verkenning, exploratie of exploitatie van olie en gas in het offshoregebied, duurt de registratieprocedure soms zelfs veel langer dan de tijd waarvoor zij zijn aangetrokken voor een opdracht. Zo’n bedrijf vertrekt dan niet zelden zonder belasting te hebben betaald over de winst, die zij met haar werkzaamheden in Suriname heeft genoten, terwijl de betaalde vergoeding wel als kostenpost wordt genomen ten laste van de winst van een in Suriname gedreven onderneming van de opdrachtgever. De overheid loopt hierdoor een aanzienlijk bedrag aan belastinginkomsten mis (revenue loss). Daarnaast is dit niet eerlijk ten opzichte van ondernemingen, die wel hun belastingverplichtingen in Suriname nakomen.” einde citaat.
Met andere woorden, het echte systematische probleem is de administratieve procedure in Suriname om als buitenlands belastingplichtige geregistreerd te raken. Een wijze regering zou de fiscale bazen opdragen met een simpele, structurele en pragmatische beleidsoplossing in de uitvoeringssfeer te komen.
Bijvoorbeeld door een deskundig olie en gas team samen te stellen binnen de Belastingdienst die in nauwe samenwerking met Staatsolie (en de Operators) uitvoering aan dat beleid kan geven om zo op effectieve en efficiënte wijze belastinginning te effectueren van partijen actief onshore en offshore Suriname.
Maar zo werkt het nog niet in Suriname. Vermoedelijk omdat de regering Santokhi weinig vertrouwen heeft in haar eigen fiscale apparaat. Het lukt de fiscale bazen in Suriname immers niet om bij de Belastingdienst de binnenlandse heffing en inning op orde te brengen, laat staan die van buitenlanders.
Geheel terzijde doet ons dat denken aan een bijeenkomst midden jaren negentig van Studiname op de Erasmus Universiteit Rotterdam inzake Suriname waar wijlen Pim Fortuyn opmerkte: “Geef me een aantal werkstudenten en ik heb dat land in enkele maanden op de rit”. Het zou hem nog gelukt zijn ook! U begrijpt dat de hoogwaardigheidsbekleders destijds demonstratief opstapten, hun magen waren niet sterk genoeg om zoveel realiteit te verteren.
Ook nu nog heeft regering Santokhi niets met sterke magen. Wel zijn ze op zoek naar de sterkste schouders die de zwaarste lasten mogen dragen. Op basis van dit draagkrachtbeginsel denkt de regering Santokhi een betere invulling te kunnen geven aan een “rechtvaardige verdeling van de belastingdruk over de relevante sectoren van de samenleving” en wel “binnen bestaande belastingen”, aldus de memorie van toelichting op het wetsvoorstel. De regering Santokhi geeft hier invulling aan door een bronbelasting voor te stellen op betalingen aan buitenlanders van rente (20%), royalties (20%), allerhande diensten (20%), goederen die offshore worden gebruikt (20%), en winstuitkeringen van een vaste inrichting naar het buitenlandse hoofdhuis (25%).
Op wiens schouders denkt regering Santokhi het aapje nu te zetten. Als we het wetsvoorstel Wet Bronbelasting mogen geloven dan zijn dat alleen de buitenlanders die rente, etcetera genieten de sterkste schouders. Zij worden aangewezen als de belastingplichtigen. Met andere woorden de sterkste schouders bevinden zich niet in Suriname, maar alleen daarbuiten! Betekent dit dat Suriname geen sterke schouders heeft met als vervolg vraag, waarom zou je dan de binnenlandse heffing en inning van belasting op orde brengen?
Opmerkelijk van het wetsvoorstel Wet Bronbelasting is dat buitenlandse partijen die al hun economische activiteiten buiten Suriname verrichten, thans niet belastingplichtig zijn, ook belastingplichtig worden gemaakt in Suriname. Dat staat evenwel compleet haaks op de gedachte van de nog in te voeren transfer pricing wetgeving, namelijk dat winsten/opbrengsten daar worden belast waar ze feitelijk worden gerealiseerd. Een zorgvuldige regering zal een dergelijke inconsistentie zien te voorkomen.
Maar zullen die buitenlanders de lasten werkelijk gaan dragen? Wij denken van niet. Naar onze inschatting zullen het voornamelijk de Surinaamse ondernemingen zijn die rente etc. betalen aan buitenlandse partijen, die de lasten van de bronbelasting daadwerkelijk moeten gaan dragen. Deze buitenlandse partijen zullen de bronbelasting doorgaans ofwel niet accepteren dan wel contractueel hebben uitgesloten. Met als gevolg dat de Surinaamse onderneming zal moeten bruteren. Dat wil zeggen dat het bedrag dat de buitenlandse afnemer verlangt, bijvoorbeeld 100, als het bedrag na inhouding van 20%-bronbelasting moet worden beschouwd. Die 100 is dan dus 80% van 125 (te bepalen door terug te rekenen 100/80%). De Surinaamse onderneming heeft dan een kosten-/uitgaven post van 125 (25 inhouding en afdracht, 100 buitenlandse partij) in plaats van 100 die zij zal moeten financieren. Bij die Surinaamse ondernemingen gaat het dus echt drukken.
Een concreet voorbeeld is Staatsolie. Staatsolie heeft beursgenoteerde obligaties uit staan. De Wet Bronbelasting zou alle buitenlandse obligatiehouders in een klap belastingplichtig maken voor de heffing van bronbelasting. Terwijl die buitenlandse obligatiehouders thans geen buitenlands belastingplichtige zijn en ook niet worden voor de heffing van inkomstenbelasting in Suriname. Kennelijk wordt dit geen administratief probleem voor de Belastingdienst, of is de gedachte als de buit maar binnen is. Overigens wordt het nog een hele kluif voor Staatsolie om uit zoeken wie die buitenlanders zijn op ieder toekomstig rentebetalingstijdstip en dan voor een elk van die buitenlanders aangifte te gaan doen. Nog los van de discussie wie de bronbelasting feitelijk voor zijn rekening moet nemen. De vraag of de obligatieleningovereenkomst voorziet in de gevolgen van de nieuwe bronheffing staat uit bij de juristen VanEps Kunneman VanDoorne op Curaçao. De obligatieleningovereenkomst zou al dan niet kunnen bepalen dat de last van de bronheffing bij Staatsolie komt te liggen. Maar ook zou de overeenkomst al dan niet een clausule kunnen bevatten op grond waarvan de obligatielening vervroegd opeisbaar wordt door een materiële wijziging van de omstandigheden (invoering bronbelasting) waaronder de obligatielening tot stand is gekomen. Wordt vervolgd.
Ogenschijnlijk kunnen we de groep van Surinaamse ondernemingen die de lasten gaat dragen nog verder verkleinen tot de groep buitenlandse oliemaatschappijen. Het lijkt de andere Surinaamse ondernemingen niet te raken. Wij denken dat enerzijds omdat de Federatie van Belastingadviseurs en het bedrijfsleven vooralsnog niet in het publieke domein hebben gereageerd op dit verstrekkende wetsvoorstel. Wellicht dat die reactie nog komt! Anderzijds hebben we nog nooit een Surinaamse regering zich druk zien maken om het uithollen van de Surinaamse belastinggrondslag door (excessieve) buitenlandse rente, royalties, diensten en goederen. Voorts richt het wetsvoorstel Wet Bronbelasting zich met name op de oliemaatschappen en haar subcontractors blijkens de vele specifieke verwijzingen naar exploratie- en exploïtatiewerkzaamheden in de wettekst, als ook de ruime aandacht die deze bedrijven en haar subcontractors krijgen in de memorie van toelichting.
Het zullen dus voornamelijk de oliemaatschappijen en subcontractors die offshore actief zijn die de dupe zullen zijn van de Wet Bronbelasting en kunnen uitzien naar flinke kostenstijging. Kan dat zo maar? Er is toch een Staatsgarantie afgegeven die de fiscale positie van de oliemaatschappijen, en haar subcontractors stabiliseert (S.B. 2018 No. 52). Dat klopt, maar die Staatsgarantie verhindert niet dat de regering Santokhi de Wet Bronbelasting invoert. Wel zullen de oliemaatschappijen en subcontractors recht hebben op compensatie en/of schadeloosstelling als de Wet Bronbelasting in strijd is met die Staatsgarantie.
Dat laatste lijkt ons het geval. In artikel 4 (i) tweede en derde zin van de Staatsgarantie staat: ”In het geval een verdrag gesloten door Suriname, een intergouvernementeel akkoord, een wet, een decreet, of administratieve verordening die niet gericht en van toepassing is op alle belastingplichtigen in Suriname indruist tegen of in conflict is met de bepalingen van de Overeenkomst en/of met dit Staatsbesluit, of de rechten en de belangen van Contractor daaronder in aanzienlijke mate negatief beïnvloedt, met inbegrip van eventuele veranderingen in de jurisdictie over het Contractgebied, de fiscale en andere wetgeving, voorschriften of administratieve praktijken, dan stelt de Regering Contractor (en zijn rechtsopvolger) schadeloos voor elk nadeel, elke verslechtering van de economische omstandigheden, elk verlies of elke schade die daaruit voortvloeien. De Regering zal de nodige maatregelen treffen om, overeenkomstig de voorgaande principes elk conflict of elke afwijking tussen de Overeenkomst en/of dit Staatsbesluit en dergelijke verdragen, intergouvernementeel akkoorden, wetten, een decreet of administratieve verordening onmiddellijk op te lossen.” De in te voeren Wet Bronbelasting is nou juist niet gericht op alle belastingplichtigen in Suriname, maar en enkel en alleen op buitenlandse (rechts)personen, dat zijn immers de aangewezen belastingplichtigen. De weg lijkt ons inziens open voor een schadeclaim door de oliemaatschappijen en subcontractors.
Wat denkt u, gaan de oliemaatschappijen nu voortvarend te werk met investeren in de Surinaamse offshore of willen ze eerst duidelijkheid over hoe zij gecompenseerd gaan worden voor economisch schade? Vicepresident Brunswijk heeft al meerdere malen zijn zorgen geuit over de voortgang met betrekking tot de evaluatie van de olie- en gasvondsten. Ons inziens zou het verstandiger zijn dit wetsvoorstel in zijn geheel in trekken en te vergeten. Het voorstel Wet Fiscale Jurisdictie is voldoende om activiteiten in de Surinaamse offshore te gaan belasten.
OPINIE

