FISCALE OIL & GAS “RING FENCE” OR “NO RING FENCE”? THAT IS THE QUESTION!
Ingezonden: Victor Koekkoek managing Partner Chemin de Mines 2
Recentelijk onstond zich een opmerkelijke discussie in het publieke domein tussen de heren Kenswil (bijdragen 1 en 3) en Shyamnarain (bijdragen 2 en 4) over het al dan niet bestaan van een ring fence binnen de heffing van inkomstenbelasting in Suriname met betrekking tot (offshore) olie-inkomsten en –uitgaven, al dan niet uit verschillende blokken.
Op het eerste gezicht lijkt Kenswil gelijk te hebben. Nergens in de relevante wetgeving (en toelichtingen daarop), Inkomstenbelasting 1922, het Decreet Mijnbouw (Hoofdstuk XIII Belastingen en Retributies Oppervlakterecht: art. 63-70) of de Petroleumwet 1990 (Hoofdstuk III Belastingen en Vreemde Valuta: art 9-10) is expliciet sprake van zo’n fiscale ring fence. De bepalingen van een petroleumovereenkomst zijn in deze niet relevant omdat volgens artikel 155 van de Grondwet belastingen worden geheven krachtens de wet, welke wet de belastingdruk, de tarieven, vrijstellingen en waarborgen voor belastingplichten regelt. Een petroleumovereenkomst is geen wet. In de Memorie van Toelichting van de tweede wijziging van de Petroleumwet 1990 (S.B. 2022 No 152) stelt de wetgever expliciet dat “wat ten aanzien van de fiscale positie van de contractor in een petroleumovereenkomst kan worden overeengekomen wordt in feite dus beheerst en begrensd door artikel 9, lid 1 van de Petroleumwet.”
Artikel 9, lid 1 van de Petroleumwet 1990 luidt thans: “Staatsondernemingen alsmede contractors zijn onderworpen aan alle geldende belastingwetten, zegelrechten, heffingenen alle andere kosten van algemene aard en die niet discriminerend van karakter zijn ten opzichte van contractor. Het voorgaande is niet van toepassing indien daarvan in deze wet of in het decreet Mijnbouw wordt afgeweken of daarvan ontheffing wordt verleend.”
Volgens de Petroleumwet 1990 zijn contractors in beginsel normaal onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting (en andere belastingen) die niet discriminerend zijn voor contractors, tenzij in het Decreet Mijnbouw of Petroleumwet 1990 of daarvan wordt afgeweken of ontheffing wordt verleend.
Het Decreet Mijnbouw en de Petroleumwet 1990 kennen aparte hoofdstukken die bepalingen bevatten waarin van belastingwetten wordt afgeweken middels verminderingen of vrijstellingen van belastingen. Geen van die bepalingen betreft een maatregel die potentieel de belastingdruk van een contractor verhoogt. Kijken we naar de artikelsgewijze toelichting op het oorspronkelijke artikel 9, lid 1 van de Petroleumwet 1990 (S.B. 1991 No. 7, pag. 22) dan merkt de wetgever het volgende op: “Teneinde investeringen in de petroleumsector te stimuleren is gemeend om op het gebied der belastigen enige speciale tegemoetkomingen te geven aan Staatsondernemingen en aan contractors.” Een fiscale ring fence is echter een potentiële lastenverzwaring, bepaalt geen stimuleringsmaatregel en dus strijdig met de doelstelling van de wetgever destijds. De voorlopige conclusie is dan ook dat er geen fiscale ring fence is voor oil & gas.
Shyamnarain daarentegen meent een fiscale ring fence te ontwaren op een onvermoede en onlogische plek, Hoofdstuk IV Petroleumovereenkomsten in de Petroleumwet 1990. Geparafraseerd stelt Shyamnarain dat een (buitenlandse) contractor voor elke overeenkomst een apart kantoor moet aanhouden (art 11 jo art 19, lid1 van de Petroleumwet 1990) en dat zo’n kantoor als filiaal van de buitenlandse contractor of als Surinaamse dochtermaatschappij kan worden gerealiseerd, welke dan moet worden geregistreerd bij de KKF (19, lid 2 van de Petroleumwet) wat leidt tot (buitenlandse of binnenlandse) belastingplicht en aangezien een petroleumovereenkomst betrekking heeft op een bepaald, wettelijk afgebakend gebied (block), is de consequentie hiervan dat de heffing van inkomstenbelasting ook voor elk block afzonderlijk dient plaats te vinden.
Een “opmerkelijke vondst” maar helaas voor Shyamnarain schuilt er een enorme denkfout in zijn redenering. Aan de hand van een simpel en praktisch voorbeeld kan ik dat eenvoudig toelichten.
Stel een Nederlandse B.V. sluit vijf petroleumovereenkomsten met Staatsolie. Let wel nergens in de Petroleumwet 1990 staat dat er een juridische partij slechts partij mag zijn bij één petroleumovereenkomst. Het aantal overeenkomsten dat een juridische entiteit mag aangaan is in beginsel niet beperkt. De Nederlandse B.V. houdt kantoor in Paramaribo, welk kantoor is ingeschreven bij de KKF en de Nederlandse B.V. heeft netjes zich aangemeld bij de Belastingdienst als buitenlands belastingplichtige en heeft een fiscaal nummer gekregen. Volgens de Inkomstenbelasting 1922 moet de B.V., de enige belastingplichtige, de inkomsten en uitgaven van alle petroleumovereenkomsten op een hoop gooien en daarover belasting betalen, geen ring fence per overeenkomst (art. 30bis jo. 27 jo 28, derde lid Inkomstenbelasting 1922). Fiscaal technisch zou je kunnen discussiëren of er één grote vaste inrichting is of dat iedere overeenkomst als een aparte vaste inrichting moet worden gezien of niet, maar voor het bedrag onder aan de streep maakt het niet uit omdat alle winsten op een hoop worden gegooid om het belastbare bedrag te bepalen.
Stel nu, dat we Shyamnarain volgen en dat de Nederlandse B.V. vijf aparte kantoren inschrijft bij de KKF, een filiaal voor elke petroleumovereenkomst. Verandert dat de fiscale positie van de B.V.? Neen, de Nederlandse B.V., de juridische entiteit is nog steeds de enige buitenlands belastingplichtige, ongeacht het aantal Surinaamse filialen de B.V. heeft ingeschreven bij de KKF. Enkel de eerste inschrijving van de B.V. leidt tot registratie bij de Belastingdienst en de toekenning van een fiscaal nummer. Elk filiaal die de B.V. daarna inschrijft bij de KKF creëert geen nieuwe belastingplichtige. Een filiaal is immers geen belastingplichtige, enkel de rechtspersoon aan wie zo’n filiaal toebehoort en een belastingplichtige kan maar één belastingnummer hebben. Met andere woorden ook die aparte bij de KKF ingeschreven kantoren/filialen leiden niet tot een ring fence, want er is nog steeds één en dezelfde belastingplichtige en dus hetzelfde belastingbare bedrag. Shyamnarain zit er naast. Kenswil heeft uiteindelijk gelijk.
Overigens deel ik Shyamnarain zijn mening niet dat er voor elk petroleumovereenkomst een apart kantoor moet worden aangehouden. Het Decreet Mijnbouw eist dit ook niet met betrekking tot houders van mijnbouwrechten. Dat laatste verklaart ook waarom art 19 in de Petroleumwet 1990 staat. Contractors zijn geen houders van mijnbouwrechten waardoor de verplichting tot het houden van een kantoor uit het Decreet Mijnbouw niet doorwerkt naar contractors.
UNITEDNEWS
