IMF, WERELDBANKEN IDB STIMULEREN WINNING VAN FOSSIELE BRANDSTOFFEN
Bron: climatechangenews.com
Terwijl bijna de hele wereld zich opmaakt voor een energietransitie waarbij landen minder afhankelijk worden van vervuilende fossiele brandstoffen, krijgt Suriname van de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) in totaal zo’n 1 miljard dollar, waar vooral de vervuilende olie-en gaswinning van lijken te gaan profiteren.
Suriname is geconfronteerd met een enorme schulden die het niet meer kan betalen. Tegelijkertijd lijkt het land in de toekomst te gaan profiteren van de winning van de fossiele brandstoffen, die in de afgelopen jaren voor de kust zijn gevonden. Oliemultinationals hebben vooralsnog meer dan drie miljard vaten olie ontdekt. Total en APA (voorheen Apache) willen daarom tot 7 miljard dollar investeren in met name Blok 58, terwijl ExxonMobil een investering overweegt in Blok 59. Total verwacht dat de olieproductie in 2025 zal beginnen.
De bijdrage die de overheid moet leveren om de oliesector te ontwikkelen, is echter fors: er moeten vergunningsaanvragen worden beoordeeld en afgegeven, door het bedrijf gerapporteerde ontwikkelingskosten moeten worden gecontroleerd en bovenal moeten diensten en bijbehorende infrastructuur drastisch worden uitgebreid. En mogelijk worden overheidsaandelen in de nieuwe olieactiviteiten gekocht. Dat gaat bij elkaar minstens 1 tot 2 miljard dollar kosten. Zonder significante financiële injecties kan het vrijwel failliete Suriname dat allemaal niet ophoesten, zeker niet met de enorme schulden (minimaal 4 miljard dollar) die nog afbetaald moeten worden.
Eind december 2021 keurde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een leningsprogramma van 688 miljoen dollar goed voor Suriname, dat van 2022 tot 2024 moet worden uitbetaald. Daarnaast heeft de IDB 300 miljoen dollar aan begrotingsfinanciering aangeboden. De Wereldbank stelde ook 30 tot 100 miljoen dollar beschikbaar voor begrotingsfinanciering.
Het IMF en de IDB nogal wat eisen op tafel gelegd alvorens het geld over te maken, zoals maatregelen om de overheidsinkomsten te verhogen en de uitgaven te beperken.
Een verlaging van de subsidies op de elektriciteits-, water- en brandstoftarieven, de invoering van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de verhoging van royalty’s voor de goudwinning en de verlaging van de overheidsuitgaven, in het bijzonder de lonen van lanti-medewerkers.
Productiedelingscontracten tussen de Surinaamse overheid en de oliemaatschappijen voor de offshore olieblokken zijn gebaseerd op een royaltytarief van slechts 6,25 procent. Dit is minder dan de helft van het gemiddelde percentage van 16 procent in ontwikkelingslanden. De contracten voorzien ook in vrijstelling van rechten voor met olie-/gaswinning verband houdende import en export en snelle recuperatie van ontwikkelingskosten.
Het IMF richt zich specifiek op de lage royaltytarieven in goudmijncontracten, maar doet aan de andere kant een oogje dicht voor het ultralage royaltytarief voor oliecontracten. Over het algemeen verhogen de IMF- en IDB-programma’s de belastingen voor burgers en niet-oliesectoren, terwijl ze nieuwe olie-investeringen nastreven met uitzonderlijk lage royalty’s en belastingvoordelen.
Cruciaal is dat de invoering van de BTW en de andere maatregelen vooral de zwakste gezinnen van de bevolking het zwaarst zullen treffen. Het wrange is echter dat Suriname zonder deze aanzienlijke financiële injectie van de drie instanties zijn torenhoge schuld niet kan aflossen en de overheid de ontwikkeling van de offshore olievelden niet zal kunnen betalen.
Naast de begrotingsfinanciering bieden de IDB en de Wereldbank Suriname al technische assistentie, waaronder voor het verzamelen van geofysische gegevens, voor haalbaarheidsstudies en met juridische, adviseurs. Bovendien keurde IDB Invest in december een lening van 14,5 miljoen dollar goed om de haven voor oliediensten uit te breiden.
Het lijkt er op dat de financiering van de internationale organisaties wordt gebruikt om de al steenrijke oliemaatschappijen te ondersteunen. Het zou echter moetenworden gebruikt om de bevolking een alternatief te bieden voor de bijna achterhaalde oliewinning, zoals Suriname betalen om de olie in de grond te houden, onder meer door kwijtschelding van schulden. De IDB is tenslotte de grootste schuldeiser van Suriname.
Aangezien het IMF, de IDB en de Wereldbank geacht worden Suriname te helpen bij het oplossen van de schuldencrisis, verergert het opdringen van meer dan 1 miljard dollar aan nieuwe schulden het probleem. Het handhaven van beleid om de vervuilende olieindustrie te steunen, is uitermate onverstandig en verwoestend voor het klimaat.
Het IMF, de IDB en de Wereldbank praten veel over het ondersteunen van een ‘rechtvaardige energietransitie’ zonder fossiele brandstoffen in de wereld, maar in Suriname doen ze het tegenovergestelde. Hoe kunnen ze in welk land dan ook slagen, als ze het klein land Suriname niet kunnen helpen bij die overgang van olie?
KLIMAAT VERANDERING
