KKF EN DE HANDELSNAAM: VAN JURIDISCHE FICTIE NAAR BESTUURLIJKE PRAKTIJK
Auteur: Iris Nazir Advocaat
De onbevoegde rol van de Kamer van Koophandel en Fabrieken bij handelsnamen
Een analyse van vrije naamkeuze en rechterlijke exclusiviteit.
Wie in Suriname een onderneming wil oprichten, krijgt vrijwel onvermijdelijk te maken met een hardnekkige praktijk: voordat een naamloze vennootschap of stichting kan worden opgericht, moet de gekozen naam eerst worden “goedgekeurd” door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (KKF). Zonder deze goedkeuring komt het proces tot stilstand. Notarissen werken niet mee, inschrijving blijft uit en de onderneming krijgt geen juridische bestaansgrond.
Deze praktijk wordt zelden ter discussie gesteld. Zij is zo diep verankerd geraakt dat velen aannemen dat zij wettelijk verplicht is. Wie echter de geldende wetgeving leest, ontdekt iets opmerkelijks: nergens is vastgelegd dat de KKF bevoegd is om handelsnamen vooraf goed of af te keuren. Wat als een juridische vereiste wordt gepresenteerd, blijkt bij nadere beschouwing een bestuurlijke gewoonte te zijn. En dat onderscheid is van fundamenteel belang.
De Handelsnaamwet, die in Suriname al sinds 1931 van kracht is, laat hierover weinig ruimte voor interpretatie. Zie hierbij de artikelen 1, 3, 4, 5, 6 en 7 (G.B. 1931 no. 65). Een handelsnaam is de naam waaronder een onderneming feitelijk wordt gedreven. Het recht op die naam ontstaat door gebruik, niet door registratie en al helemaal niet door toestemming van een bestuursorgaan. De wet stelt wel grenzen aan het gebruik van handelsnamen: namen mogen niet misleidend zijn en geen verwarring wekken met bestaande ondernemingen. Maar zij kent geen voorafgaand toetsings- of goedkeuringsmechanisme.
Ondernemers zijn vrij in hun naamkeuze en worden pas begrensd wanneer die keuze daadwerkelijk in strijd komt met de wet.
Die keuze voor vrijheid wordt bevestigd door de wijze waarop de wet handhaving regelt. Wie meent dat een handelsnaam onrechtmatig wordt gevoerd, moet zich wenden tot de kantonrechter. Niet tot de KKF en niet tot een administratieve commissie, maar tot een onafhankelijke rechter die, na hoor en wederhoor, beoordeelt of verwarring te duchten is en of ingrijpen nodig is. De wetgever heeft hiermee bewust gekozen voor rechterlijke toetsing en niet voor bestuurlijke voorafcontrole.
Ook de nieuwe Handelsregisterwet van 2024 brengt hierin geen verandering. Zie de artikelen 2, 5, 6, 7, 8, 9, 17 en 20 (S.B. 2024 no. 169). Deze wet regelt de inschrijving van ondernemingen en rechtspersonen en bevestigt dat de taak van de KKF beperkt is tot het houden en beheren van het handelsregister. De Kamer registreert wat rechtsgeldig tot stand is gekomen en maakt die gegevens openbaar. Haar rol is administratief, niet normstellend. Wel bevat de wet een correctiemechanisme voor onjuiste of onrechtmatige inschrijvingen, maar dat mechanisme werkt uitsluitend achteraf en via een formele procedure, met waarborgen en rechterlijke controle. Het biedt geen enkele grondslag voor preventieve blokkades.
Tegen deze wettelijke achtergrond is de huidige praktijk van de KKF moeilijk te verdedigen. Door handelsnamen vooraf te “keuren”, treedt de Kamer feitelijk op als poortwachter van ondernemerschap. Zij beperkt zich niet tot registratie, maar oefent invloed uit op de vraag welke ondernemingen juridisch tot stand kunnen komen. Daarmee wordt een wezenlijke rechtsvraag “mag deze naam worden gebruikt?” verplaatst van de rechter naar het bestuur. Dat is geen praktische vereenvoudiging, maar een principiële verschuiving van bevoegdheden.
In het publiekrecht geldt een helder uitgangspunt: een bestuursorgaan mag alleen handelen binnen de grenzen die de wet hem stelt. Bevoegdheden ontstaan niet uit gewoonte, efficiëntie of langdurige praktijk. Dat een werkwijze al jaren bestaat, maakt haar nog niet rechtmatig. Zonder expliciete wettelijke grondslag is zij niets meer dan een zelf toegekende macht.
Soms wordt aangevoerd dat voorafgaande naamsgoedkeuring nodig is om verwarring en misleiding te voorkomen. Juist dat argument bevestigt echter waarom deze taak bij de rechter hoort. De beoordeling of verwarring te duchten is, vergt een concrete belangenafweging, kennis van de feiten en een onafhankelijke beslissing. Dat is bij uitstek rechterlijk werk en geen administratieve routine.
De gevolgen van de huidige praktijk zijn reëel. Ondernemers worden geconfronteerd met vertraging, onzekerheid en soms willekeur. Hun vrijheid om een onderneming op te richten wordt beperkt zonder dat daar een duidelijke wettelijke basis of een volwaardige rechtsgang tegenover staat. De bescherming die de wet biedt, wordt ingeruild voor een informele bestuursbeslissing waartegen geen expliciet bezwaar of beroep openstaat.
Het recht laat echter geen twijfel bestaan. Wie een geschil heeft over een handelsnaam, moet zich wenden tot de kantonrechter. Niet tot de KKF. De Kamer mag registreren wat bestaat, maar niet bepalen wat mag bestaan. Zolang de wetgever geen expliciete bevoegdheid tot naamsgoedkeuring heeft toegekend, is elke andere praktijk juridisch onhoudbaar.
Het is daarom tijd om een diepgewortelde gewoonte los te laten en terug te keren naar het fundament van de rechtsstaat. Niet het bestuur, maar de wet bepaalt de grenzen. En niet de Kamer, maar de rechter beslist over geschillen. Dat is geen formaliteit, maar de kern van rechtsbescherming in een vrije samenleving.
INGEZONDEN
