LANDBOUW ALLEEN IN DE KUSTVLAKTE? WAT DE BODEM IN SURINAME ZEGT
ANALYSE: UNITED REDACTIE
De bodem in het binnenland deugt niet voor landbouw, en wie serieus wil boeren moet in de kustvlakte blijven. Dat hoor je al decennia. Een studie van LVV met het Braziliaanse Embrapa laat een ander beeld zien. Van de grond die goed is voor maïs ligt ruim vier vijfde buiten de jonge kustvlakte.
In Suriname geldt het bijna als natuurwet: landbouw hoort in de kustvlakte. Daar liggen de polders, de rijstvelden, de oude plantages en de wegen. Het binnenland zou bestaan uit arme zandgrond en steenachtige heuvels, goed voor bos en goud, maar niet voor de akker.
Voor ondernemers is dat geen academische vraag. Wie investeert in akkerbouw, veeteelt of agro-verwerking, wil weten waar de grond het werk doet en waar je ertegen moet vechten. Nu grootschalige landbouw weer op de politieke agenda staat, loont het om de stelling naast de cijfers te leggen.
De bron: de landbouwzonering van 2017
In maart 2017 rondden Surinaamse en Braziliaanse deskundigen het rapport Agro-Ecological Zoning Suriname af. Het werk kwam voort uit de wetenschappelijke samenwerking tussen beide landen. Op de omslag staan onder meer het ministerie van LVV, het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, de Surinaamse bodemkartering en Embrapa, het Braziliaanse landbouwonderzoeksinstituut.
Het team, onder wie John Bouterse en twee onderzoekers van Embrapa Solos, legde bestaande bodemkaarten, landgebruik, beschermde gebieden en klimaatgegevens over elkaar. Daarmee is het noorden van het land beoordeeld, van de kust tot ongeveer 4° noorderbreedte. Dat gebied omvat ongeveer 5,5 miljoen hectare, verdeeld over 52 bodemeenheden.
Voor elke bodemeenheid gaven de onderzoekers een oordeel over vijf teelten: kokos, maïs, papaja, oliepalm en veeteelt. Het oordeel is goed, redelijk, beperkt of ongeschikt. De onderzoekers waarschuwen zelf dat dit planningsmateriaal is en geen advies voor een individuele boer.
De kustvlakte: rijk, maar kleiner dan gedacht
De jonge kustvlakte beslaat in het rapport ongeveer 900.000 hectare. Daar liggen de bekende kleigronden: rijpe polderklei onder oude plantages, halfrijpe klei onder de rijstvelden en zandige ritsen langs de oude kustlijnen. Op die ritsen en de rijpe kleien scoren de meeste teelten goed, oliepalm uitgezonderd.
Maar ruim 60 procent van de jonge kustvlakte krijgt voor alle vijf de teelten het oordeel ongeschikt. De grootste post is 339.000 hectare onrijpe, pyrietrijke zwampklei. Na ontwatering verzuurt die grond sterk. Daarnaast is er 63.000 hectare veenmoeras en meer dan 150.000 hectare rivier- en estuariumgrond die in de beoordeling afvalt.
Wie in de kust boert, betaalt bovendien voor water. Dijken, gemalen en lozingen zijn de prijs van vruchtbare klei. Rijst, de belangrijkste kustteelt, is in deze studie niet beoordeeld. Voor rijst en bananen blijft de kust de vanzelfsprekende plek.
Het binnenland: niet één bodem, maar drie werelden
De grote fout in de oude stelling is dat alles buiten de jonge kust als één gebied wordt gezien, “het binnenland”. Het rapport onderscheidt tientallen bodemeenheden, en die lopen sterk uiteen.
- De oude kustvlakte en de savannegordel (ongeveer 600.000 ha). Op de leemachtige rits-, plateau- en oeverwalgronden scoren kokos, papaja en veeteelt goed, en maïs en oliepalm redelijk. De beruchte witte savannezanden (90.000 ha) zijn wel ongeschikt. Die hebben het beeld van “arme binnenlandgrond” vooral bepaald.
- De plateau- en hellinggronden direct daarachter (ongeveer 765.000 ha). Deze zandige leem- en kleigronden krijgen voor bijna alle teelten het oordeel goed, ook voor maïs. Het gaat om de eenheden 20 tot en met 25 in het rapport.
- Het heuvelland verder landinwaarts (ruim 3 miljoen ha). Deze grond is grindrijk en vaak steenachtig, soms met ijzersteen of bauxiet aan het oppervlak. Voor boomteelt en weide is ze redelijk, voor maïs en oliepalm beperkt. Machinaal akkerbouwen loopt daar snel vast.
Wat de kaarten per gewas laten zien
Van alle grond die het oordeel goed krijgt voor maïs, ligt 85 procent buiten de jonge kustvlakte. Bij veeteelt is dat bijna 88 procent.Voor kokos en papaja is het patroon hetzelfde. Van de 1,3 tot 1,5 miljoen hectare goede grond ligt het grootste deel in de oude kustvlakte en op de plateaus daarachter. Oliepalm stelt de hoogste eisen aan de bodem. In de hele jonge kustvlakte vindt het rapport geen hectare die goed is voor oliepalm, op de plateaus wel 575.000 hectare.
Wat dit betekent voor de ondernemer
Goede grond is een voorwaarde, geen businesscase. Het rapport kijkt alleen naar de bodem. Voor een investeerder tellen ook andere posten mee:
- Ontsluiting. De beste plateaugronden liggen vaak tientallen kilometers van een verharde weg, een haven of het stroomnet. Elke ton maïs of soja moet daar overheen.
- Bos en vergunningen. Vrijwel alle goede binnenlandgrond is bebost. Ontginning vraagt een milieueffectenstudie bij de NMA en toestemming van de bosbouwautoriteiten. Kopers in Europa letten bovendien steeds strenger op ontbossing in de keten.
- Grondrechten. Het gaat om domeingrond. Zonder een sluitende uitgifte door de overheid en overleg met de gemeenschappen in het gebied is ook de beste bodem waardeloos.
- Mechanisatie. Op het grindrijke, steenachtige heuvelland komt machinale akkerbouw moeilijk van de grond. De kansen zitten op de vlakke plateaus en in de oude kustvlakte.
- De kust kost ook geld. Vruchtbare klei vraagt dijken, ontwatering en onderhoud, en vrije, aaneengesloten percelen zijn er schaars.
De kaarten van 2017 zijn gemaakt op landelijke schaal. Voor een concreet perceel blijft eigen bodemonderzoek in het veld nodig, met monsters en laboratoriumanalyses.
Conclusie: de stelling klopt maar half
De kustvlakte is en blijft de plek voor rijst, bananen en tuinbouw op klei. Maar dat landbouw alleen in de kust thuishoort, wordt door het eigen onderzoek van LVV niet gesteund. De grootste voorraad goede grond voor droge akkerbouw en veeteelt ligt in de oude kustvlakte en op de plateaus daarachter.
De echte vraag voor een ondernemer is daarom niet “kust of binnenland?”. De vraag is: welke bodemeenheid ligt onder mijn perceel, en wat kost het om daar te komen, te mogen werken en het bos verantwoord te behandelen? Wie die vraag eerlijk beantwoordt, kan in beide gebieden een goede boer zijn, en in beide gebieden failliet gaan.
Bron
Bouterse, J.A.M., Kadirbaks, S., Soerohardjo, M.Y., Nojodimedjo, R., Carvalho Junior, W. de & Fraga da Silva, E. (2017). Agro-Ecological Zoning Suriname. Paramaribo, 24 maart 2017. Samenwerking Suriname–Brazilië (o.a. LVV en Embrapa Solos). De indeling van de bodemeenheden in zones en de daaruit berekende percentages zijn van de auteur.
UNITEDNEWS