ONS WATER BRENGT MEER GELD OP DAN ONS GOUD!

De wereldbevolking groeit in een razend tempo. Waardoor we in 2050 de 9,6 miljard bewoners zullen halen. Tegelijkertijd zijn de voorspellingen dat in 2030 de helft van deze mensen een vorm van een tekort aan drinkwater zullen meemaken. Berekeningen geven aan dat tussen nu en 2030 de wereldwijde waterbehoefte van 4,500 naar 6,900 miljard m3 zal stijgen. Een tekort aan drinkwater terwijl de aarde voor bijna driekwart bedekt is door water? Helaas is het overgrote deel hiervan zout water (97%) en dus niet direct geschikt als drinkwater, 2% van het water zit vast in ijsgebergtes en minder dan 1% van de totale voorraad aan water komt uit zoetwater.

Zelfs als iedereen ter wereld vanaf dit moment besluit zeer zuinig te doen met drinkwater, door bijvoorbeeld car washes te sluiten en tuinen niet meer te besproeien, dan zouden we maximaal 40% van het tekort in 2030 kunnen compenseren. Waar gaat die andere 60% van water voor onze mede-bewoners vandaan komen?

En juist daar komt Suriname in beeld. Want maar liefst 10% van de wereld zoetwatervoorraden in rivieren stroomt door Suriname. Ons land is onderdeel van de Guianas, een naam die afgeleid is van een indiaans woord dat betekent “land van vele wateren”. Maar niet alleen hebben we de gecombineerde kracht van diverse rivieren, we beschikken ook over een natuurlijke watermachine in de vorm van ons tropisch regenwoud dat bijna ons gehele grondgebied bestrijkt.

De feiten naast elkaar leggend, lijkt het erop dat hier een business case in zit. In de jaren ’80 werd een dergelijk idee dan ook al eens geopperd. Maar – net als initieel in de casus Staatsolie – werd er geen geloof gevonden in de verdere uitwerking van dit idee. In 2009, echter, nam een Nederlandse denktank het initiatief weer op en werd een pre-feasibility studie gedaan naar de potentie van Surinaams drinkwater. De resultaten van dit onderzoek hebben echter nooit tot concrete acties geleid.

De huidige Regering zag de potentie in en kondigde in haar Ontwikkelingsplan 2012-2016 aan dat er “studies gedaan zouden worden om voorbereidingen te treffen om waterexporten mogelijk te maken”. Eind 2011 blies de huidige Regering deze casus nieuw leven en breidde zij de onderzoeksvraag uit naar de potentie van zoetwater.
Conservation International Suriname klopte al jaren aan de deur van de staat om – in navolging van het Centraal Suriname Natuur Reservaat – ook hoofdwateren te gaan beschermen. Hiertoe hadden zij reeds het Zuid-Suriname project gestart met onderzoeken naar de status van rivieren in het zuiden van Suriname en diens diensten aan de lokale bevolking. De twee doelstellingen kwamen bijeen in dit waterproject en CI-S kreeg de opdracht om te bewijzen welke hoofdwateren beschermd zouden moeten worden, en in hoeverre deze hoofdwateren invloed hebben op de mens en natuur.

CI’s directeur begreep dat als hij conservering wil stimuleren er een trigger moet zijn voor de overheid. De staat heeft een apparaat te draaien en dient ontwikkeling te stuwen en daar is geld voor nodig, de vergoeding voor bescherming zal dan ook groter moeten zijn dan de opportunity costs van houtkap of mijnbouw.

Dergelijke studies vereisen enorme expertise om een volledig beeld te presenteren van de impacts op natuur, sociaal en economisch niveau. Een wereldwijde leider op het gebied van economische consultancy en ontwikkeling werd door CI-S aangetrokken om de berekeningen door te voeren voor wat betreft economische impacts voor zowel Suriname, als exporterend land, alsmede voor de doelmarkten. In januari zijn de onderzoekers in Suriname geweest en tegen april 2015 wordt de economische levensvatbaarheid van het project vastgesteld.

Wie zijn die doelmarkten nou precies? Onze omringende buurlanden hebben zoetwater genoeg en in het noorden zijn we gegrensd aan eilanden. Gaan we leveren aan woestijnrijke landen?

De rekenmodellen die binnen dit waterproject momenteel worden toegepast zijn toegespitst op de waterbehoefte van juist de eilanden met hun blauwe zeeën. Immers is een groot deel van deze eilanden zo droog als een rots en zijn ze afhankelijk van zeewater om hun bevolking, huishoudens, productie en toerisme industrie op gang te houden.
Momenteel zijn 5 eilanden geselecteerd: Antigua, St. Kitts, Haiti, Barbados en de Bahamas. Gezamenlijk hebben zij, met meer dan 11 miljoen inwoners, nu al een watertekort van 4,5 miljard m3 op jaarbasis. Een minimale behoefte dus. Meer dan 70% van de drinkwaterbehoefte komt voor hen uit ontziltingsprocessen, oftewel desalinisatie. Dit zijn processen waarbij zeewater door een installatie wordt gepompt, ontdaan wordt van zout en als drinkwater wordt aangeboden via het waternetwerk.

De problemen hierbij zijn echter grootschalig. Niet alleen is het drinkwater dat hieruit komt ongezond, het productieproces draait op aardolie wat jaarlijks voor miljoenen ton aan CO2 uitstoot zorgt, het onderwaterleven voor de kust van de eilanden wordt verstoord door het pompen, bovendien wordt het zoutafval als concentraat weer in zee gedumpt, wat de zee alleen maar zouter maakt. Water kost door dit proces al snel tussen de USD 3 en 9 per kubieke meter. In vergelijking: in Suriname betalen we 0,39 USD per m3. Water wordt zo een basisgoed dat niet alleen duur is voor de gebruiker, maar ook voor de overheid.
Want wat als er een goedkoper alternatief voor handen was, zodat de bespaarde gelden gestoken konden worden in onderwijs, gezondheidszorg of lokale landbouw?

Dat is precies de vraag waarop Suriname wil inspelen. Berekeningen van o.a. de Anton de Kom Universiteit hebben uitgewezen dat er jaarlijks 151 miljard m3 zoetwater vanuit onze rivieren de Atlantische Oceaan instroomt. Dat is 4800 m3 water per seconde dat als zoetwater verloren gaat na aanraking met zeewater.

De case is dan ook simpel. In Suriname wordt zoetwater opgevangen en dit wordt gebracht naar de eilanden die watervraag hebben. Een methode die overigens al wordt toegepast in tijden van natuurrampen, of bij periodieke tijden van droogte in bijvoorbeeld Griekenland en Australië. Speciale trekboten met drijvende waterzakken worden hiervoor gebruikt. “Water vervoeren met behulp van water”, aldus John Goedschalk, Executive Director Conservation International Suriname. “Zoetwater is lichter dan zoutwater, dus er zou gebruik kunnen worden gemaakt van de wetten van de natuur en door het gebruik van speciaal hiervoor ontworpen zakken voor het transport kan o.a. de versheid worden gegarandeerd.” Als er voldoende fondsen voor het pilot project worden gevonden, kan het bedrijf dat de concessie heeft gekregen de eerste waterzak al voor september dit jaar laten varen.”

John Goedschalk wil met zijn organisatie CI-Suriname ervoor zorgen dat er voldoende aandacht is voor de milieu en sociale effecten van het exporteren van water: “Als CI-Suriname maken we ons niet alleen zorgen om de natuur maar ook om de impact die dit heeft op de mens. We hebben daarom het bedrijf TruCost aangetrokken om te helpen met de effectenanalyse op milieu en sociaal gebied, zodat de werkelijke waarde van het project meetbaar wordt, los van de economische opbrengsten.”

www.trucost.com

TruCost is aangetrokken om de netto effecten van waterexporten te berekenen voor zowel Suriname als de afnemers. Tegen het eind van het 1e kwartaal in 2015 worden de eerste resultaten van hun berekeningen verwacht. TruCost zegt over dit project het volgende: “Het Suriname Blue Gold project is een enorme kans om te laten zien hoe de impact van groenere technologie gemeten en gewaardeerd kan worden; door enerzijds milieuvoordelen en anderzijds economische opbrengsten te combineren met innovatieve oplossingen voor de grootste uitdagingen van deze tijd zoals waterstress en het verlies van biodiversiteit.”

Het project lijkt nu al serieuze vormen aan te nemen. De Surinaamse overheid is betrokken bij de studies als partner in het project. Maar wat is de visie hierachter? “De Surinaamse overheid streeft naar diversifiëring van de economie In jaarredes en beleidsplannen wordt al enkele jaren gesproken over de noodzaak van balanceren van de economie die voor 40% nog steeds afhankelijk is van mijnbouw (olie & goud), wat een ongezonde situatie is aangezien Suriname wel afhankelijk is van wereldmarktprijzen, maar hier geen directe invloed op kan uitoefenen. Een exportindustrie voor water biedt nieuwe perspectieven. Door slechts 3% van het zoetwater dat naar zee zou stromen op te vangen en te gebruiken voor export ontstaat er een inkomstenbron voor de overheid, voortkomend uit royalties, die jaarlijks kan oplopen tot 4,5 miljard USD. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de inkomenstenmix van de overheid zal veranderen en zelfs voor 45% overgenomen zou kunnen worden door deze nieuwe sector. Niet alleen geeft dit meer ruimte voor het uitvoeren van regulier beleid en ontwikkelingsprogramma’s op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Maar er ontstaat ook ruimte voor diepte-investeringen zoals ontsluiting van het binnenland op 24-uurs duurzame energie en verdere investeringen in infrastructuur. De gedachte is dat een nieuwe inkomstenbron de risico’s spreidt, waardoor overheidsinkomsten gebalanceerd zijn. Tegelijkertijd worden ontwikkelingskansen voor mensen verbetert en wordt Suriname aantrekkelijker voor investeringen in het bedrijfsleven. Voorzichtige berekeningen wijzen uit dat Suriname op jaarbasis 10 miljard m3 zal kunnen leveren voor een kostprijs tussen de USD 1 en 3, inclusief transport.
Tel uit je inkomsten als staat.

De overheid ondersteunt het project vanuit macro-economische overwegingen.
Bovendien sluit een dergelijke stap aan bij de visie van de zittende regering om de ontwikkeling in Suriname in balans te houden, dat wil zeggen voor zowel mens, natuur als economie; alswel bij de visie om direct betrokken te zijn bij de exploitatie van de eigen natuurlijke hulpbronnen.

Voor Conservation International Suriname is de bescherming van de natuur de drijfveer om betrokken te zijn bij het project. John Goedschalk: “Waterexport zal alleen duurzaam blijken als we de bronnen beschermen, onze bomen en wateren. Als we in staat zijn om een industrie te bouwen rondom waterexport, dan kunnen andere sectoren die druk leggen op de natuur, zoals goud- en oliewinning, langzaamaan verkleinen”, legt John Goedschalk uit. “Dit zouden investeringen in bosbescherming betekenen en investeringen in meetinstituten, rangers moeten het bos gaan monitoren, constructies moeten gebouwd worden, zeevaarders moeten worden opgeleid. De potentie voor de opbouw van een sector met banen in alle rangen en standen, en op alle locaties in het land lijkt in het vizier.
Maar Rome was niet in één dag gebouwd en ook een industrie opzetten is niet zomaar gebeurd.
Zoals gezegd zal dit jaar de levensvatbaarheid van het project op papier worden vastgesteld, daarna zal de praktijk moeten uitwijzen of er binnen vijf jaar blauw goud verkocht wordt op een dusdanige manier dat direct voordeel oplevert voor elke Surinamer en die de natuur niet beschadigt.”

Als dit lukt, dan is Suriname over 10 jaar niet langer het El Dorado voor goud, maar de waterkraan van het Caraibisch gebied. En als we heel eerlijk zijn, dat ligt – als groenste land ter wereld – toch dichterbij ons allen.

BRON: UNITED MAGAZINE

Facebook Comments Box