REGERING HOUDT BENZINEPRIJS VOORLOPIG STABIEL IN OVERLEG MET OLIEMAATSCHAPPIJEN

President Jennifer Simons heeft na overleg met de regering en de oliemaatschappijen per 17 maart 2026 besloten om de pompprijzen voor brandstof te stabiliseren door toepassing van de zogeheten price cap methode. De vastgestelde prijzen zijn als volgt: Diesel bedraagt SRD 53,27 per liter en Unleaded SRD 48,32 per liter.

Deze regeling geldt voor alle nieuwe ladingen vanaf 18 maart 2026. De price cap methode is niet van toepassing op super unleaded. Wanneer de internationale prijsniveaus boven de vastgestelde price cap uitkomen, zal het verschil worden gecompenseerd door de overheid via de Government Take. Deze regeling geldt uitsluitend voor pompprijzen die boven de genoemde tarieven liggen en niet voor prijzen die daaronder vallen. Met deze maatregel wil de regering de samenleving beschermen tegen de directe gevolgen van de internationale olieprijsstijging en tegelijkertijd stabiliteit bieden aan de nationale economie als gevolg van de oorlogsituatie in het Midden-Oosten.

Echter, achter deze stabilisatie schuilt een fundamentele vraag die op elk niveau van de Surinaamse samenleving weerklinkt: waarom moet de Surinaamse consument de wereldmarktprijs betalen voor brandstof die voor een groot deel uit eigen bodem komt? Uit recente gegevens van de Energy Chamber van Trinidad en Tobago, gebaseerd op cijfers van globalpetrolprices.com, blijkt dat Guyana in juli de laagste benzineprijs van de Caribische regio heeft genoteerd. Met een retailprijs van ongeveer US$ 0,81 per liter duikt het land aanzienlijk onder het wereldwijde gemiddelde van US$ 1,19. Terwijl Guyana profiteert van een nultarief op invoerrechten, bevindt Suriname zich weliswaar ook onder het mondiale gemiddelde, maar blijft de prijs aan de pomp daar merkbaar hoger dan bij de westerbuur. Dit verschil is niet toevallig, maar het directe resultaat van uiteenlopende overheidsstrategieën op het gebied van belastingen en subsidies. Waar de Guyanese overheid in 2022 de accijnzen op brandstof volledig elimineerde om de inflatie te beteugelen en dit beleid tot op de dag van vandaag handhaaft, hanteert Suriname een ander fiscaal regime waarbij de overheid de inkomsten uit brandstofbelastingen harder nodig heeft voor de staatskas.

In Suriname wordt de prijs aan de pomp mede bepaald door de Government Take, een vaste belastingcomponent die per liter wordt geheven. Hoewel Suriname tot het kwartet CARICOM-staten behoort dat onder het wereldgemiddelde zit — samen met Guyana, Haïti en Trinidad en Tobago — zorgt de druk op de Surinaamse dollar en de noodzaak tot begrotingsdiscipline ervoor dat een volledige afschaffing van belastingen, zoals in Guyana, momenteel niet realistisch is.

In Trinidad en Tobago wordt de prijs nog altijd gedrukt door een staatsgecontroleerd subsidiemechanisme, terwijl in Barbados de prijzen richting de US$ 2,00 per liter schieten vanwege zware belastingen en hoge acquisitiekosten. Het contrast met de wereldmarkt is overigens scherp: in landen als Libië en Venezuela kost een liter benzine slechts enkele centen, terwijl consumenten in Hongkong meer dan US$ 3,50 neertellen. Voor de Surinaamse consument betekent het huidige beleid dat zij weliswaar goedkoper uit zijn dan de rest van de wereld, maar dat de ‘Guyanese droom’ van belastingvrije brandstof voorlopig uitblijft. De kern van het journalistieke onderzoek richt zich echter op de rol van Staatsolie.

Als Suriname haar eigen diesel en benzine maakt voor een groot deel van de lokale gebruikers, rijst de kritische vraag waarom het staatsbedrijf per se moet meegaan met de internationale marktprijs?

Dit dwingt tot een debat over de balans tussen het commerciële belang van Staatsolie, de fiscale honger van de overheid en de werkelijke koopkracht van het volk dat op een bodem van olie leeft maar aan de pomp de gemiddelde wereldprijs afrekent.

UNITEDNEWS

Facebook Comments Box