SURINAME EN HAAR TOEKOMST
Opinie | Kenneth Sukul
Multinationals investeren zelden in een land met als doel het creëren van welvaart en welzijn voor dat land. Hun voornaamste doel is het maximaliseren van winst voor hun aandeelhouders.
Om investeerders aan te trekken, moeten landen voldoen aan specifieke criteria: een interne markt met een grote middenklasse die over koopkracht beschikt, goedkope energie, lage productiekosten, belastingvrijstellingen, een goed opgeleide arbeidersklasse, een stabiel politiek klimaat, welvarende buurlanden en een efficiënte logistiek om andere markten te bedienen. Grondstoffen zijn geen vereiste meer, omdat deze wereldwijd kunnen worden ingekocht. Suriname voldoet niet aan deze essentiële eisen voor buitenlandse investeerders en dient daarom voornamelijk als grondstoffenleverancier. De aanwezigheid van multinationals op zee zal dit nauwelijks veranderen, aangezien er wereldwijd voldoende verwerkingscapaciteit voor ruwe olie en gas is.
Wereldmarkt en Investeringsstrategieën
Na 1962 werd de voormalige koloniën geleerd dat ontwikkeling alleen mogelijk was door het aantrekken van buitenlandse investeerders. Deze landen moesten ook onderling concurreren om bedrijven de beste faciliteiten te bieden. Aanvankelijk gebeurde dit door middel van omkoping van politici en regeringen. Wanneer dit niet vrijwillig gebeurde, zorgde het moederland van de investeerder ervoor dat de regering met geweld werd vervangen door welwillende politici. Een goed voorbeeld hiervan is Colombia met Chiquita Fruit uit de Verenigde Staten, waar het Colombiaanse leger werd ingezet om arbeiders tegen lage lonen te laten werken.
Met de tijd werd geweld vanuit lokale regeringen minder ingezet en werd de theorie van “Direct Foreign Investment” goed geïnternaliseerd (Beïnvloeding) bij de intellectuelen. Met de financiering van verkiezingen van lokale partijen werd de rest vanzelf geregeld. Wanneer dit niet lukte, werden sancties ingezet om landen uit de wereldmarkt te houden. De huidige hoge olieprijs bijvoorbeeld is het resultaat van Amerikaanse sancties tegen Venezuela, Iran en Rusland.
Investeringsgeschiedenis in Suriname
Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn, op de Afobakastuwdam en Paranam na, alle investeringen in de productiesector in Suriname gedaan door de kolonisator of door deze gefaciliteerd. Bedrijven zoals Bruynzeel, Wageningen (rijstpolders in Nickerie), de bananenbedrijven, het palmoliebedrijf Victoria, etc., zijn hier voorbeelden van. Na de onafhankelijkheid was het de overheid die investeerde in de productiesector met ontwikkelingshulp.
Helaas gingen al deze bedrijven failliet omdat Surinaamse politici onvoldoende inzicht hadden dat bedrijven geen verkiezingstrofeeën zijn. Hierdoor kregen wetenschappers, die waren Beïnvloed met het idee dat ontwikkeling alleen mogelijk is met Direct Foreign Investment, de kans om de samenleving te vertellen dat de Surinaamse regering geen ondernemer is en de productie aan particulieren moet overlaten.
Dit is de reden waarom niet Grassalco, maar Golden Star, Cambior en IamGold, met een investering van nauwelijks 85 miljoen USD, de ontwikkeling van Gross Rosebel Mines mogelijk maakten en miljarden USD aan goud weghaalden. Staatsolie, met alle olie- en gasvoorraden op zee, werd in 1999 bijna voor 20 miljoen USD verkocht aan een multinational (onder de NDP-regering), ware het niet dat de samenleving hiertegen in verzet kwam.

Foto bron: DWT
Investeringen na 1975
De NPK-regering investeerde na 1975 ruim 500 miljoen NF in West-Suriname om investeerders aan te trekken voor de productie van bauxiet. Ondanks alle voorinvesteringen in onderzoek, infrastructuur en vooruitzichten voor goedkope hydro-energie, waren er geen investeerders geïnteresseerd. Wat de toenmalige regering niet begreep, was dat Alcoa, die destijds de wereldmarkt beheerste, niet zou toestaan dat er meerdere spelers op de markt verschenen, en zeker niet uit Suriname.
Na 2014 vertrok ook Alcoa, waarbij ze het bauxiet in West-Suriname achterlieten, ondanks de vooruitzichten van gas en olie. De militaire machthebbers probeerden na 1980, naast Staatsolie en Para Industries, ook de maakindustrie op gang te krijgen. Dit bleef echter beperkt tot assemblagebedrijven die de kleine lokale markt snel verzadigden en door het tekort aan USD’s voor de import van halffabricaten en grondstoffen failliet gingen.
Ontwikkelingskansen voor Suriname
Wetenschappers schatten dat de wereldwijde goudreserves nog goed zijn voor vijftien jaar, terwijl de bewezen olie- en gasreserves van Suriname op zee respectievelijk een levensduur van negen en tien jaar hebben. Het is dus essentieel dat Suriname zo snel mogelijk kennis opdoet om producten te ontwikkelen waarmee zij op de wereldmarkt kan concurreren zonder de belemmeringen van multinationals.
Om dit te financieren, moet Suriname de maximale opbrengsten uit haar grondstoffen halen. Voor goed onderwijs is veel geld nodig; Suriname besteedt momenteel nog geen 1500 USD per schoolgaande leerling, terwijl landen zoals Nederland meer dan 65.000 USD en Duitsland zelfs 85.000 USD per leerling uitgeven. Landen die goed presteren op de wereldmarkt hebben tientallen universiteiten. Surinaamse studenten zouden, net als Indiase studenten, overal ter wereld kunnen studeren.
Financiële Vereisten voor Onderwijs
Om de investering in onderwijs van 1500 USD naar bijvoorbeeld 10.000 USD per leerling te verhogen, heeft Suriname, met een schoolgaande bevolking van 150.000 leerlingen, jaarlijks ruim 1,5 miljard USD nodig. Naast de normale overheidsuitgaven, waaronder gezondheidszorg, infrastructuur en veiligheid, zou Suriname naar schatting ruim 3,5 miljard USD per jaar nodig hebben. Dit komt neer op een minimumbedrag van netto 5 miljard USD per jaar, terwijl de overheid in 2023 nog geen 1,3 miljard USD ontving.
Maximale Inkomsten
Er is geen indicatie dat de politici zich realiseren hoeveel geld nodig is om het land te ontwikkelen. Anders zouden zij ervoor zorgen dat alle multinationals hun financiële administratie altijd openhouden voor de belastingdienst en dat de boeken periodiek door buitenlandse experts worden gecontroleerd. Onlangs betrapten accountants, die door Guyana waren ingehuurd, ExxonMobil, de grootste buitenlandse investeerder van Guyana, op het opblazen van haar investeringskosten met 12 miljard USD. Als excuus gaf Exxon aan dat het een foutje was, maar dit zou nooit gecorrigeerd zijn als Guyana er zelf niet achter was gekomen.
Fraude en Controle
Bekend is dat econoom A. Bihari, IamGold bij de Amerikaanse SEC heeft aangeklaagd wegens fraude. IamGold zou hebben geknoeid met haar jaarverslagen en daarmee de Amerikaanse beurswetten hebben overtreden. Daarnaast zou zij, met medewerking van politici, Suriname voor ruim 8,6 miljard USD hebben benadeeld. Ondanks kritiek en de vele rapporten (Winston Wirth 2011, Ir. Richard Kalloe, de jaarverslagen van Staatsolie en de Centrale Bank van Suriname), heeft de Surinaamse overheid het tot op heden niet nodig geacht om de boeken van de goudbedrijven te laten controleren. De meeste staatsbedrijven, waarin de staat alle aandelen bezit, zijn failliet of staan op het punt failliet te gaan. Terwijl bedrijven zoals HakrinBank, Torarica en Selfreliance, waar zowel de overheid als particulieren aandelen hebben, succesvol zijn. Waarom past de overheid dit model niet toe bij alle andere staatsbedrijven?
Het Geval Staatsolie
Het meest onbegrijpelijke geval is dat van Staatsolie N.V. In 2016 stegen de kosten voor de uitbreiding van de raffinaderij, die begroot was op 700 miljoen USD, naar 1,2 miljard USD, een kostenstijging van 75% in plaats van de gangbare 10%. Hierdoor kwam het bedrijf in 2016 aan de rand van een faillissement. De regering-Bouterse moest toen geld lenen bij het Oppenheimer Instituut om Staatsolie te redden. In 2020 betaalde Staatsolie 132 miljoen USD aan winstbelasting en dividend aan de overheid, terwijl Staatsolie in datzelfde jaar 135 miljoen USD aan dividend ontving van Newmont. De vraag is wat Staatsolie aan de staat zou uitbetalen als zij geen dividend en royalty’s van de goudbedrijven had ontvangen.
In de 132 miljoen USD die de overheid ontving, zitten de winstbelastingen op het dividend dat Staatsolie ontving van Newmont en de royalty’s. De dividend en royalty’s zou Suriname ook zonder tussenkomst van Staatsolie hebben ontvangen. Voorts omvat dit bedrag ook een deel van de woekerwinsten die Staatsolie/SPCS maakt bij de Energiebedrijven Suriname (EBS). De vraag is waarom de staat haar inkomsten via Staatsolie moet ontvangen, want zij zou rechtstreeks meer hebben ontvangen, namelijk 135 miljoen USD dividend en nog 24 miljoen USD aan royalty’s. Nu is zij 27 miljoen USD kwijt aan Staatsolie.
Over subsidies gesproken. Ten derde, waarom hebben de beleidsmakers er niet voor gekozen om met die 1,2 miljard USD zelfstandig de boringen op zee te laten uitvoeren? Hiermee had Suriname betere overeenkomsten met de multinationals kunnen sluiten, zoals de overeenkomst tussen APA en Total waarbij Total de totale investering van APA, 4,5 miljard USD, financiert. Dit had alleen kunnen gebeuren als de Surinaamse politici zouden begrijpen dat een land niet met giften en nog minder met kruimels ontwikkeld kan worden.
Conclusie
Suriname moet dringend stappen ondernemen om haar economische en onderwijssectoren te versterken. Dit vergt inzicht, moed en een lange-termijn visie van de politici, zodat de beschikbare natuurlijke rijkdommen optimaal worden benut voor de duurzame ontwikkeling van het land.
UnitedNews
