WANNEER STRAFRECHT BELEID VERWOEST, RAAKT GERECHTIGHEID ZOEK

Auteur: Ajay Golpalrai

De afgelopen weken is in de Verenigde Staten een fundamentele discussie losgebarsten over de grenzen van strafrechtelijke macht. Aanleiding was een onderzoek van het Amerikaanse ministerie van Justitie dat in verband werd gebracht met de voorzitter van de Federal Reserve. De inhoud van dat onderzoek was minder bepalend dan de waarschuwing die erop volgde: prominente oud-centrale bankiers en juristen wezen publiekelijk op het risico dat strafrecht wordt ingezet waar bestuurlijke oordeelsvorming hoort te prevaleren.

Niet om bestuurders boven de wet te plaatsen, maar om een rechtsstatelijk fundament te bewaken: beleid is geen misdrijf, tenzij de wet dat ondubbelzinnig bepaalt.

Die waarschuwing is ook voor Suriname van direct belang.

Het strafrecht is het zwaarste instrument dat de staat bezit. Het hoort thuis bij duidelijke strafbare feiten: zelfverrijking, misleiding, verduistering, omkoping. Het is niet ontworpen om achteraf beleidsbeslissingen te herkwalificeren omdat de uitkomst politiek, economisch of maatschappelijk onwelgevallig is gebleken. Waar dat onderscheid vervaagt, ontstaat geen gerechtigheid maar bestuurlijke verlamming.

In volwassen rechtsstaten wordt daarom een strikte scheidslijn gehanteerd tussen bestuurlijke verantwoordelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid. Niet uit clementie, maar uit noodzaak. Zonder beleidsruimte durft niemand verantwoordelijkheid te nemen in crisissituaties. Wie elke beslissing langs een toekomstige strafrechtelijke meetlat moet leggen, kiest uiteindelijk voor stilstand.

Precies dat spanningsveld staat centraal in de zaak die op 19 januari 2026 haar culminatie bereikt bij het Hof van Justitie in de CBvS-zaak. Drie voormalige functionarissen de toenmalige minister van Financiën, de voormalige governor van de Centrale Bank van Suriname en de voormalige directeur Juridische Zaken staan terecht. Op papier draait het om de aanwending van staatsmiddelen. In werkelijkheid gaat het om een veel fundamentelere vraag:

Mag strafrecht worden ingezet om beleidskeuzes achteraf strafbaar te verklaren wanneer de norm ten tijde van het handelen niet ondubbelzinnig was?

Het Openbaar Ministerie stelt dat wettelijke grenzen zijn overschreden. De verdediging wijst erop dat het hier gaat om beslissingen genomen binnen het kader van bestaande bevoegdheden, in een uitzonderlijke economische context. Daarmee ligt de kern niet in de feiten alleen, maar in de normstelling: was er een helder, concreet en voorzienbaar strafrechtelijk verbod op het moment van handelen?

Dat is geen semantische discussie. Het raakt drie pijlers van de rechtsstaat.

Ten eerste rechtszekerheid. Niemand mag strafrechtelijk worden veroordeeld op basis van normen die pas achteraf scherp worden geformuleerd.

Ten tweede bewijsrecht. Strafrecht vereist harde, objectieve feiten geen interpretaties achteraf, geen veronderstelde intenties, geen morele herkwalificaties.

Ten derde institutionele bescherming. Centrale banken functioneren alleen wanneer zij binnen hun wettelijk mandaat beslissingen kunnen nemen zonder permanente dreiging van strafvervolging bij politieke koerswijzigingen.

Suriname moet corruptie bestrijden. Zonder uitzondering. Maar Suriname moet ook zijn instituties beschermen. Strafrecht dat wordt opgerekt tot beleidsinstrument, ondergraaft uiteindelijk zijn eigen legitimiteit. Het verliest zijn scherpte, zijn geloofwaardigheid en zijn rechtsstatelijke precisie.

Binnen deze juridische ontsporing voltrekt zich bovendien een realiteit die niet kan worden genegeerd. Dit strafproces sleept zich al jaren voort. Levens zijn ontwricht. Professionele reputaties zijn definitief beschadigd. Gezinnen leven al lange tijd onder permanente druk en onzekerheid. Wanneer vervolging plaatsvindt terwijl de norm onduidelijk is, wordt het proces zelf een sanctie los van schuld of onschuld.

Dat is geen emotioneel argument. Dat is een rechtsstatelijk probleem.

De discussie in de Verenigde Staten laat zien dat zelfs gevestigde democratieën erkennen dat terughoudendheid geboden is wanneer strafrecht en beleidsmandaat elkaar raken. Niet uit zwakte, maar uit institutionele wijsheid.

Op 19 januari zal het Hof laten zien waar het staat. Niet alleen ten opzichte van drie beklaagden, maar ten opzichte van de rechtsstaat zelf. De kracht van rechtspraak schuilt niet in hardheid, maar in precisie. Wanneer beleid als beleid wordt beoordeeld en strafrecht als strafrecht, kan gerechtigheid bestaan.

Wanneer die grens vervaagt, rest slechts schade aan mensen, aan instituties en uiteindelijk aan het vertrouwen in het recht.

INGEZONDEN

Facebook Comments Box