19.5 MILJOEN EURO BLIJFT VOORLOPIG NOG AANGEHOUDEN IN NEDERLAND
De Hoge Raad van Nederland heeft op 6 juli 2021 geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank tot opheffing van het strafvorderlijk beslag op het geldtransport van 19.5 miljoen euro uit Suriname niet in stand blijft.
Het beklag van onder andere de Centrale Bank van Suriname (CBvS) tegen het strafvorderlijk beslag op de 19.5 miljoen euro moet nu opnieuw worden behandeld en beoordeeld door de Nederlandse Rechtbank.
De CBvS en de drie Surinaamse handelsbanken hebben gezamenlijk een beklag tegen de inbeslagneming van het geld ingediend. Het geld werd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) aangehouden op 17 april 2018 wegens verdenking van witwassen. De CBvS was de ‘shipper’ van het geld.
Het is voor het eerst dat van de Hoge Raad een oordeel in een strafzaak wordt gevraagd over de aan het volkenrecht ontleende immuniteit (artikel 8d in het Wetboek van Strafrecht) in relatie tot de bevoegdheid van het Nederlands Openbaar Ministerie (OM) om strafvorderlijk beslag te leggen onder een vreemde staat.
De Hoge Raad kijkt anders naar de zaak en oordeelt dat de cassatieklacht van het OM slaagt.
Volgens de Hoge Raad kan uit het internationaal gewoonterecht hooguit worden afgeleid dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit voor zover het ‘property’ van de Centrale Bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de Centrale Bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de handelsbanken rechthebbende en daarmee eigenaar waren en bleven met betrekking tot het in beslag genomen geld. Het geld zou weer aan de liquide middelen van de handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij een Chinese bank in Hong Kong was omgezet in giraal geld. De betrokkenheid van de Centrale Bank van Suriname bij dat geld was niet meer dan een faciliterende rol bij de voorgenomen omzetting van het contante geldbedrag door de handelsbanken. Het oordeel van de rechtbank dat immuniteit niet in de weg staat aan het feit dat het geld niet aan de Centrale Bank in eigendom toebehoort vindt de Hoge Raad daarom niet begrijpelijk.
De Hoge Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank om opnieuw te worden behandeld en beoordeeld, en wijst erop dat het ook geldt voor het door de Surinaamse handelsbanken ingestelde beklag.
UNITEDNEWS
