SANTOKHI EN RAMDIN | KRITISCHE REFLECTIE OP STATUUT EN ONAFHANKELIJKHEID

Fotocompilatie: President Chandrikapersad Santokhi en minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, met op de achtergrond op het beeldscherm de ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in Den Haag door koningin Juliana op 15 december 1954 | Auteur: Wilfred Leeuwin.

Op het symposium over 70 jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, 50 jaar onafhankelijkheid van Suriname en het nieuwe Burgerlijk Wetboek van Suriname, dat op 1 mei in werking treedt, zijn vanuit Surinaamse zijde zeer kritische opmerkingen gemaakt over de historische relatie tussen Suriname en Nederland.

Met name president Chandrikapersad Santokhi en minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, Internationale Business en Internationale Samenwerking plaatsten kritische aandachtspunten die later op de dag in de reflectie werden meegenomen.

Santokhi vindt dat bij het Statuut belangrijke aspecten van belang zijn. Een van de grondslagen ervan was dat de drie landen — Suriname, Nederland en de Nederlandse Antillen — hulp en bijstand aan elkaar zouden verlenen. “Staat u mij toe de historici uit te dagen dit aspect onder de loep te nemen en na te gaan in hoeverre deze grondslag ook werkelijk werd nageleefd.” Santokhi wees erop dat het Statuut een compromis was tussen integratie binnen het Nederlandse staatsbestel, het overzeese rijksdeel en een zekere mate van autonomie.

Suriname speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming ervan. “Door indringend onderhandelen van Surinaamse zijde is het principe van zelfbeschikkingsrecht in de preambule van het Statuut opgenomen, met de aantekening dat het recht op afscheiding niet was inbegrepen.”

Het staatshoofd benadrukte echter ook de positieve invloed van het Statuut. Zo bood het de mogelijkheid ervaring op te doen met zelfbestuur en het ontwikkelen van een eigen politieke identiteit als voorbereiding op de aanstaande onafhankelijkheid. “Met de wijsheid van nu kunnen we concluderen dat de voorbereiding op die onafhankelijkheid onvoldoende is ingevuld. We mogen de fouten van toen niet herhalen, nu we op de drempel staan van grote olie- en gasontwikkelingen.” Volgens het staatshoofd moeten er lessen worden getrokken uit de periode voor en na de onafhankelijkheid van Suriname. “De patstelling die ontstond in het parlement aan de vooravond van de onafhankelijkheid en de politieke obstructie in het speelveld kunnen we ons niet meer veroorloven. Het belang van onze burgers moet vooropstaan,” zei Santokhi. Hij riep dan ook op tot samenwerking en verbinding in het belang van welvaart voor iedereen in de samenleving.

Minister Ramdin sloot zich hierbij aan en benadrukte dat op het symposium niet alleen de juridische aspecten en constructies van belang zijn, maar dat er ook ruimte moet zijn voor kritische vragen over de sociaal-politieke realiteit. Niet alleen juristen, maar ook politici en beleidsmakers hebben volgens hem, vanuit verschillende invalshoeken, inhoud gegeven aan de relatie tussen Suriname en Nederland. “We moeten gewoon eerlijk met elkaar zijn, en die ruimte moet er zijn. We weten allemaal dat Suriname in de afgelopen eeuwen een bijzonder en ingrijpend verleden heeft gekend en nog steeds doormaakt. De gevolgen van dat verleden zijn nog steeds zichtbaar, soms positief, soms negatief, en dat moeten we goed analyseren om de samenleving op te bouwen,” zei Ramdin.

Concreet noemde hij het grensdispuut tussen Suriname en Guyana en wierp hij de vraag op in hoeverre hiermee op de juiste manier is omgegaan en wat de rol van Nederland als voormalige kolonisator had moeten zijn. De bestuurlijke relatie van toen mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Ook de totstandkoming van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is een gevolg van de relatie tussen Suriname en Nederland. Ramdin benadrukte echter dat het wetboek, zoals het nu door het parlement is aangenomen, een Surinaams wetboek is en geen Nederlandse.

Niet alleen voor de Nederlandse, veelal juridische, hoogleraren van universiteiten, maar ook voor de aanwezige Surinamers was de presentatie van historicus, docent en oud-minister Mauritz Hassankhan zeer boeiend en leerzaam. “Nederlanders leren veel meer als ze buiten Nederland zijn. Vandaag heb ik veel geleerd wat ik helemaal niet wist,” zei professor Viola Heutger, die dagvoorzitter van het symposium was. Hassankhan gaf een historisch overzicht met nieuwe wetenschappelijke feiten over de aanloop naar de onafhankelijkheid, het Statuut en het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Zijn feiten betroffen niet alleen de relatie tussen Suriname en Nederland, maar werden ook geplaatst in een internationale en geopolitieke context sinds de Eerste Wereldoorlog.

Michael Milo, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, gaf een inleiding over het oude en nieuwe Burgerlijk Recht in Suriname en Nederland, en maakte vergelijkend-historische opmerkingen over de verwachtingen bij codificatie. “Het nieuwe Burgerlijk Wetboek van Suriname wekt veel vertrouwen,” zei Milo. Professor Monique Veira ging in op de invloed van het Statuut en besprak de verdere ontwikkeling van het Surinaams erfrecht. “Met de inwerkingtreding van het nieuwe Surinaamse Burgerlijk Wetboek op 1 mei 2025 wordt de rechtseenheid tussen Suriname, de CAS-landen en Nederland hersteld,” aldus Veira.

Hans Lim A Po reflecteerde op de rechtsbetrekking tussen Suriname en Nederland en benadrukte dat Suriname probleemoplossend moet werken: “Goede wetgeving betekent niet alleen dat je de problemen van vandaag regelt, maar ook dat je een langetermijnvisie hebt en vooruitkijkt naar de problemen van de toekomst.”

Op het symposium gaf Wanda Pherai een uiteenzetting over de staatkundige ontwikkeling en mensenrechten. Volgens haar staat Suriname voor de uitdaging om het constitutionele stelsel verder te ontwikkelen. Daarbij stelde ze de vraag of De Nationale Assemblee (DNA) haar rechten niet beter moet effectueren en of grondrechten aan een herziening toe zijn.

Het symposium, dat op 6 februari werd gehouden in het nieuwe Assembleegebouw, is georganiseerd door De Nationale Assemblee, samen met de Anton de Kom Universiteit, de Open Universiteit en de Universiteit van Antwerpen. “Dit symposium is niet alleen een moment van terugblik, maar vooral een kans om samen na te denken over welke lessen wij kunnen meenemen uit het verleden, om te bouwen aan een rechtvaardige en florerende samenleving,” zei DNA-voorzitter Marinus Bee. De invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek op 1 mei noemt hij een belangrijke stap die van groot belang is voor de verdere ontwikkeling van de rechtsstaat Suriname.

UNITEDNEWS

 

Facebook Comments Box