AMERIKAANSE HEFFINGEN WERPEN SCHADUW OVER NIEUWE OLIEPROJECTEN
Foto: President Donald Trump | Bron: OilNow.
Nieuwe heffingen op de import van staal en aluminium dreigen wereldwijd tientallen olie- en gasprojecten in de wacht te zetten.
Dat blijkt uit een analyse van energieadviesbureau Wood Mackenzie. Volgens hoofdanalist Simon Flowers zou de herinvoering van de zogeheten Trump-tarieven niet alleen de internationale handel verstoren, maar ook de economische groei afremmen en daarmee de wereldwijde vraag naar fossiele energie temperen.
Hoewel Guyana in het eerste kwartaal van 2024 een indrukwekkende productie van 613.000 vaten per dag realiseerde vanuit de Liza 1-, Liza 2- en Payara-velden, hangt er internationaal een sluier van onzekerheid over nieuwe investeringen. Wereldwijd staan tientallen upstreamprojecten gepland voor een definitieve investeringsbeslissing in 2025 en 2026, maar marktschommelingen, kapitaalrestricties en het risico op importheffingen kunnen die beslissingen vertragen. Zelfs met een gemiddeld break-evenpunt van slechts 42 Amerikaanse dollar per vat, lijkt terughoudendheid te overheersen.
Wood Mackenzie waarschuwt dat een vertraging in nieuwe projecten de reeds bestaande onderinvestering in de olie- en gassector verder zal verdiepen. Als heffingen worden doorgevoerd, zou de wereldwijde vraag naar olie in 2026 met één miljoen vaten per dag kunnen dalen. De prijs van Brent-olie zou daarmee gemiddeld zeven dollar lager uitkomen, op 64 dollar per vat. Voor bedrijven met hoge investeringslasten en een kwetsbare balans betekent dat een verhoogd risico.
Ook de LNG-markten zouden onder druk komen te staan, al kunnen nieuwe Amerikaanse exportprojecten en lagere olieprijzen zorgen voor enige stabiliteit op de Henry Hub-markt. Sommige afnemers uit Europa en Azië zouden zelfs kunnen overstappen op Amerikaans LNG om de impact van importtarieven elders te compenseren, wat sporadische voordelen oplevert voor bepaalde exporteurs.
Toch zijn veel olie- en gasbedrijven vandaag beter bestand tegen een prijsdaling dan tijdens eerdere crises. Dankzij jaren van gedisciplineerde uitgaven en robuuste kasstromen staat de sector er financieel sterker voor. Volgens WoodMac ligt het gemiddelde break-evenpunt na dividenduitkeringen op 62 dollar per vat, wat wijst op verbeterde veerkracht onder grote spelers. De CoRSI-index van het bedrijf, die de duurzaamheid en weerbaarheid van oliebedrijven meet, staat op een historisch hoogtepunt.
Toch blijft de kwetsbaarheid groot voor kleinere spelers met beperkte financiële slagkracht en hoge investeringsverplichtingen. Bij een dalende olieprijs zullen bedrijven naar verwachting snel ingrijpen. Aandeleninkoopprogramma’s zouden als eerste sneuvelen, gevolgd door verdere bezuinigingen op investeringen. De zeven grootste oliebedrijven ter wereld hebben hun kapitaalbegrotingen voor 2025 al met gemiddeld negen procent verlaagd. Een verslechterend klimaat zou hen ertoe aanzetten dit pad van besparingen verder te versnellen.
Dividenden blijven voorlopig overeind dankzij sterkere balansen, maar bij een Brentprijs onder de 50 dollar zouden ook die onder druk komen te staan. Fusies en overnames zullen in het kortetermijnperspectief waarschijnlijk afnemen, omdat prijsvolatiliteit het verschil tussen vraag en aanbod vergroot. Toch kunnen kapitaalkrachtige spelers strategisch blijven toeslaan om productiezekerheid op lange termijn te waarborgen. Vooral grote Amerikaanse, Europese en nationale oliebedrijven worden door WoodMac genoemd als de meest waarschijnlijke aanjagers van consolidatie in een verzwakkende markt.
Flowers benadrukt dat het verlengen van de levensduur van upstreamactiviteiten de sleutel vormt in het strategisch handelen van deze bedrijven. In een tijd van onzekerheid is het juist deze langetermijnvisie die het verschil kan maken.
