COLUMN | HOE STOPPEN WE DE VRIJE VAL VAN ONS ONDERWIJS?
Het jaarlijkse ritueel is weer aan de gang: discussies over de onderwijsslagingspercentages. En op een enkele zinvolle analyse na, is de inhoud van de discussie een duidelijk symptoom van de ziekte waaraan het onderwijssysteem lijdt.
Kijk, buiten dat wat wij “de politiek” noemen, is het gebruikelijk dat iemand pas met een bepaalde taak wordt belast als hij of zij enige proeve van bekwaamheid heeft afgelegd. Zo hebben wij de garantie dat die man of vrouw in kwestie tenminste weet wat hij of zij te doen heeft. Om voor de klas te staan als juf of meester, moet je daarom een onderwijzersopleiding voltooid hebben. Als je na voltooien van de opleiding het geluk hebt om het werk dat je zo graag wilt doen (kinderen kennis bijbrengen), mag doen is een levensdoel bereikt. Althans zo hoort het te zijn, want de vorming van kinderen is net als het verplegen van mensen, een roeping en niet gewoon “een werk”.
Een in de politiek anders begrepen begrip, is het waarderen en normeren van werk dat gedaan wordt. Die waarden en normen zijn er om ons bestaan als mens te waarborgen (dat vinden ze in de politiek trouwens ook, daarom is het bestaan van elk van hun gewaarborgd). Eindexamens van scholen zijn een stukje gereedschap om te kunnen waarderen of het werk wel volgens de juiste normen is verricht. Daarom worden eindexamens door een onafhankelijk instituut afgenomen, bij ons het Examenbureau. Slechte examenresultaten betekenen dus heel eenvoudig dat het werk niet volgens de juiste normen is verricht. Dat betekend niet dat ons hele corps aan leerkrachten niet hard heeft gewerkt. Zij hebben 100% zeker zo hard gewerkt als zij vinden dat zij moeten. Of kunnen. Want. Om te beginnen werd door iemand een keer gevint dat goed schrijf, praat en lees Nederlandse taal niet echt nodig is om kinderen kennis bij te brengen. Wat wil je dan? Een eerste vereiste om kennis aan vooral kinderen bij te kunnen brengen is het bezit van excellente uitdrukkingsvaardigheden. Want kinderen verschillen en het ene kind heeft een andere woordcombinatie nodig om iets te begrijpen dan een ander. Het uiteindelijke gevolg? Leest U maar een willekeurig afstudeerverslag geproduceerd op ons hoogste onderwijsinstituut na. Of luister naar de gemiddelde door ons onderwijssysteem gevormde politiekeling. Een 10 als U begrijpt wat die precies te vertellen heeft. Ho ho, niet zo snel hoor ik al. Want er zijn immers scholen die wel goede resultaten laten zien en de kinderen de onafhankelijke kennistoets glansrijk doorstaan? Dat is zo. Omdat ondanks de (taal)gebrekkigheid bij een aanzienlijk deel van ons lerarencorps er altijd een weg is als er een wil is. Op die scholen hebben de leerkrachten geen boodschap aan die meneer wiens Valies ondertussen uitpuilt maar nog steeds weigert aan zijn reis te beginnen.
Deze leerkrachten laten zien dat goed werk goed beloond moet worden, in tegenstelling tot de grote ramp in onderwijsland die het omgekeerde nastreeft. Dat ondertussen wat onze kinderen op school te leren krijgen en de manier waarop niet goed meer aansluit bij de dagelijkse werkelijkheid, is een andere zaak. Daarvoor heb je iets veranderends als curriculum ontwikkeling. En omdat wij onze knapste mensen de wereld insturen, het liefste naar het land waarvan alle 13 universiteiten in de top 200 van de wereld voorkomen, laten wij dat maar aan de Belgen over. Of als we het zelf doen, dan mogen een paar mensen die curriculum overgedragen a.k.a. leerkrachten dat maar doen. Ontwikkelen is nieuwe dingen uitvinden en toepassen. Dat is per definitie een academische exercitie oftewel iets voor mensen met een afgeronde Universitaire opleiding. Niet mensen die op weg zijn academicus te worden. Want dat zijn mensen die zichzelf met de graad van Bachelor of Science mogen omkleden. Nee, nee. Om een curriculum te ontwikkelen moet je echt wel de universiteit van voren tot achteren hebben doorlopen. En door de voordeur weer naar buiten natuurlijk. Nog niet zo lang geleden hadden wij het Lager Beroepsgericht Onderwijs. Waar en wanneer de gediplomeerden van deze opleiding de gerichtheid konden omzetten in een beroep is nooit duidelijk geweest.
Daarom vonden een paar mensen dat de G maar moest verdwijnen. Hé, hé, eindelijk! dachten velen. O, mijn G! dachten anderen. Want die waren goed op de hoogte van de staat van die ene afdeling binnen het onderwijsapparaat dat verantwoordelijk zou zijn voor deze transformatie. Het voorlopige resultaat kennen we. Een letterlijk onderwijskundig slagveld. Vreemd? Wel nee, (beroeps)opleidingen in elkaar flansen is geen vakken-plakken, maar een grondige exercitie waarbij de knapste onderwijsmensen samen met de beroepenmensen opleidingen ontwerpen waar vooral de praktijk van het beroep centraal staat. Zoiets kost toch wel wat tijd en moeite. Maar ja, zoals gebruikelijk worden binnen de overheid mensen benoemd op grond van G weet wat en dus is het Onderdirectoraat Beroepsonderwijs voorzichtig gezegd niet de slimste van de klas. “OK wijsneus”, denkt U. “Hoe moet het dan wel?” Weet ik ook niet hoor, maar wij zouden kunnen beginnen om de leerkrachten van weleer die nog willen, maar vanwege een onzinnige 60 jaar pensioenleeftijd niet meer mogen, te rekruteren. En natuurlijk niet om weer voor de klas te staan, maar om het hele falende corps bij te staan en te coachen naar succes. De leerkrachten die het Nederlands niet voldoende machtig zijn zouden in wezen niet gehandhaafd mogen worden, maar misschien kunnen die gewoon weer naar school. Wat ik wel weet is dat al heel erg lang geleden al de bezem (hoge druk spuit?) moest door het hele ministerie van Onderwijs, en eindelijk eens mensen die politiek ongeschikt zijn het ministerie gaan bemensen. Want wij weten ondertussen heel goed dat politiek geschikt gelijk is aan bestuurlijk ongeschikt. Dan stopt misschien eindelijk de vrije val van ons onderwijs en ook ons land.
Columnist| Rogier Cameron