MOGELIJK ‘ONVERPLICHTE COMPENSATIEREGELING’ VOOR SURINAAMSE OUDEREN MET AOW- GAT

Foto’s:Tweede Kamerlid Steven van Weyenberg & Minister Koolmees komt met ‘adviescommissie van wijzen’
Minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat een ‘adviescommissie van wijzen’ instellen, die al nagaan of een ‘onverplichte tegemoetkoming’ voor Surinaamse ouderen met een AOW- gat mogelijk is. Hiermee geeft de bewindsman uitvoering aan de motie van Tweede Kamerlid Steven van Weyenberg (D’66).

Het Kamerlid heeft op 15 oktober 2020 in de motie, Koolmees verzocht een adviescommissie van wijzen in te stellen die nogmaals nagaat of er geen juridische grondslag kan worden gevonden die ruimte geeft om gericht en uitsluitend deze groep toenmalige rijksgenoten die leefde in Suriname in de periode 1957 tot 1975 en nu langere tijd woonachtig is in Nederland, tegemoet te komen voor hun onvolledige AOW-opbouw. Het gaat om de groep van Surinaamse ouderen met een onvolledige AOW- opbouw (AOW- gat). Volgens Koolmees bestaat er geen juridische verplichting voor de Nederlandse overheid om deze groep tegemoet te komen. Zowel de Centrale Raad van Beroep als de Commissie Gelijke Behandeling (nu: College voor de Rechten van de Mens) heeft zich hierover uitgesproken en gesteld dat er een objectieve rechtvaardiging is voor het onderscheid dat wordt gemaakt tussen een ingezetene van het Europees deel van het Koninkrijk en een ingezetene van een deel van het Koninkrijk buiten Europa. In een arrest van de Hoge Raad (HR) uit 1959 heeft de HR geoordeeld dat destijds in betrokken wetgeving met het Rijk werd bedoeld het deel van het Koninkrijk in Europa. Surinamers woonachtig in Suriname bouwden hiermee geen AOW op.
Minister Wouter Koolmees
Tijdens een Kameroverleg in oktober 2020 werd breed in het parlement de conclusie gedeeld, dat er geen juridische verplichting is voor de Nederlandse overheid om deze groep tegemoet te komen en dat de AOW niet als aangrijpingspunt voor een oplossing gezien kan worden. Tegelijkertijd ligt er een breed in de Kamer gedeelde wens om, zoals in de motie verwoordt, nogmaals te onderzoeken of gericht een onverplichte tegemoetkoming mogelijk is. Ook een onverplichte tegemoetkoming aan een specifieke groep dient gebaseerd te zijn op een deugdelijke en sluitende redenering verband houdend met de merites van de kwestie en groep, zegt Koolmees.

Daarbij is noodzakelijk dat die motivering en grondslag dermate robuust en afbakenend zijn dat er geen onbedoelde uitstralingseffecten met rechten in andere situaties ontstaan. In het geval een bestuursorgaan aan een groep burgers een onverplichte tegemoetkoming toekent, dan dient het bestuursorgaan er ook rekening mee te houden dat ook andere groepen op grond van het beginsel van gelijke behandeling een beroep kunnen doen op deze tegemoetkoming als de eerste groep niet op basis van objectieve criteria kan worden onderscheiden van de andere groepen. Dit kan verstrekkende juridische, beleidsmatige en financiële gevolgen met zich meebrengen.

In zijn brief van 19 augustus 2020 aan de Tweede Kamer is Koolmees ook hierop ingegaan en heeft aangegeven, dat geen onderscheid gemaakt kan worden op basis van objectieve criteria tussen de groep Nederlanders van Surinaamse herkomst die tussen 1957 en 1975 in Suriname woonden, en andere onderdanen van het Koninkrijk die niet in Nederland, maar ergens anders in het Koninkrijk ingezetene waren vanaf 1957 tot heden.

Voorts heeft hij geconcludeerd dat het aannemelijk is dat het recht op gelijke behandeling zich dan ook uitstrekt tot personen die slechts korte tijd in Nederland hebben gewoond en in die tijd dus een zeer beperkte AOW hebben opgebouwd. Als gevolg hiervan zou de huidige vormgeving van de AOW als opbouwverzekering, Naar aanleiding van de motie Van Weyenberg heeft de minister het voornemen dit vraagstuk van gelijke behandeling voor te leggen aan een adviescommissie van wijzen. Het instellen van deze commissie van wijzen en het concretiseren van de vraagstelling, waarmee de commissie haar werkzaamheden zal starten, vergt enige tijd. Een voorstel hiertoe zal Koolmees op korte termijn aan de ministerraad voorleggen. Koolmees is ook voornemens om de Raad van State te verzoeken om middels een voorlichting advies uit te brengen over de gevolgen die het instellen van een onverplichte compensatieregeling kan hebben voor het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden en met name de relatie tussen de landen in het Koninkrijk als het gaat om verantwoordelijk voor de eigen sociale zekerheid.

Het gaat over het vraagstuk van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Suriname en Nederland zoals vastgelegd destijds in het Statuut van het Koninkrijk. In het Statuut van het Koninkrijk is in 1954 geregeld dat de landen van het koninkrijk elk hun eigen sociale zekerheid verzorgen. Suriname heeft destijds geen oudedagsvoorziening voor zijn inwoners geregeld.

In Nederland is in 1957 de AOW in werking getreden. In Caribisch Nederland zijn ook regelingen gemaakt voor een oudedagsvoorziening. Nu Suriname in die periode niet zelf zijn verantwoordelijkheid op grond van het Statuut heeft genomen, is het de vraag of en waarom Nederland dan deze verantwoordelijkheid gericht en alleen voor deze groep (over) zou moeten nemen. Deze vraag raakt nauw aan het Statuut en aan de verantwoordelijkheidsverdeling die daarin is vastgelegd en tot op vandaag de verhoudingen regelt tussen de verschillende landen binnen het Koninkrijk. Indien een onverplichte compensatieregeling wordt ingesteld om de Surinaamse Nederlanders te compenseren voor hun onvolledige AOW-opbouw, dan raakt dat aan wat is vastgelegd in het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit kan mogelijk verstrekkende gevolgen hebben voor het Nederlands stelsel van sociale zekerheid en de sociale zekerheid zoals deze nu in de andere onderdelen van het Koninkrijk is geregeld, aldus minister Koolmees in een reactie aan de Tweede Kamer.

Ingezonden|Diaspora Suriname Pers

Facebook Comments Box