GEEN NEDERLANDSE STEUN VOOR BEDRIJVEN IN SURINAAMSE OLIESECTOR

Auteur: Armand Snijders

Hoewel Nederlandse bedrijven staan te trappelen om in Suriname aan de slag te gaan in de olie- en gassector, hoeven zij niet te rekenen op enige ondersteuning van de Nederlandse overheid.

Voorheen werden bedrijven op alle mogelijke manieren geholpen om hun zaken over de grens te doen, maar sinds Nederland eind 2021 op de klimaattop in Glasgow een verklaring ondertekende waarin het zich committeerde te stoppen met directe overheidssteun voor internationale fossiele energieprojecten, staan die bedrijven er alleen voor.

President Chandrikapersad Santokhi beweerde bij zijn aantreden in juli 2020 dat er -vooral in Nederland- 150 investeerders in de rij stonden om hun geld in Suriname uit te geven. Speciaal daarvoor werd het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar Albert Ramdin de scepter moest gaan zwaaien, uitgebreid met ‘International Business en Internationale Samenwerking’. Ramdin moest er in de afgelopen jaren voor zorgen dat investeerders definitief over de streep werden getrokken.

Drie jaar later staat Suriname nog altijd met lege handen. De investeerders bleken er niet te zijn. En die ene investeerder die er wel was, HPSG uit Denemarken dat miljarden euro’s zou investeren in een waterstoffabriek in Commewijne, bleek slechts uit praatjesmakers te bestaan. Daardoor werden Ramdin en toenmalig minister Armand Achaibersing van Financiën en Planning, die samen die kar trokken, lelijk in hun hemd gezet.

Ramdin gaf enkele maanden geleden eindelijk toe dat het niet vlotte met het aantrekken van bedrijven. Wat de regering ook deed, ze kreeg overal nul op het rekest. Ook herhaalde oproepen van Santokhi aan het adres van Nederlandse boeren om naar Suriname te komen, vonden geen gehoor. Hij dacht dat ze zich met de stikstofcrisis en andere problemen in Nederland massaal aan zouden melden. Maar liever de problemen thuis dan de chaotische situatie in Suriname, zo werd door de agrariërs beredeneerd.

Ook andere bedrijven en investeerders bleven weg. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken concludeerde vorig jaar dat het lastig is om bedrijven te interesseren voor niet-fossiele opdrachten in Suriname en die aan groene en duurzame projecten willen werken. Daar geeft Nederland nog wel steun aan. ‘Het is wel complex omdat de verdienkansen/interesse vanuit het Nederlandse bedrijfsleven beperkt is. Suriname heeft geen aardgasnet, het stroomnet is van drie verschillende partijen en is niet goed op elkaar aangesloten, dus veel dieselgeneratoren’, zo schreef men.

‘Van duurzame transitie is überhaupt nog geen sprake. Lastig omdat de overheid hier geen geld voor heeft en voor private partijen lastig door de complexe infrastructuur. De Surinaamse overheid heeft ingezet op gelden uit olie- en gasvondsten’, schreef een ambtenaar op het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken vorig jaar in een e-mail.

In de olie- en gassector is juist wel grote interesse van Nederlandse bedrijven. Dat is immers de toekomst van Suriname, dat door ambtenaren zelfs het toekomstig Dubai van de Cariben wordt genoemd. Maar dat optimisme ten spijt, hoeven bedrijven die hun vleugels willen uitslaan naar de voormalige kolonie en willen investeren in die sector niet te rekenen op ondersteuning van de Nederlandse overheid. Hoezeer daar ook lucratieve kansen voor ze liggen.

En dat terwijl de Nederlandse staat altijd een betrouwbare steun en toeverlaat was voor bedrijven die over de grens willen ondernemen. Nu nog wel, maar niet meer als het om internationale fossiele energieprojecten gaat. Dat betekent geen geld, exportkredietverzekeringen of garanties meer voor olie en gas in het buitenland.

Want eind 2021 zette Nederland op de klimaattop in Glasgow een handtekening onder de klimaatverklaring. Daarmee zegde het kabinet toe te stoppen met directe overheidssteun voor internationale fossiele energieprojecten.

Hoewel die klimaatverklaring over het algemeen wordt toegejuicht, zijn de gevolgen daarvan erg zuur, ook voor Suriname. Zo werd vorig jaar september een baggerbedrijven als Van Oord geweerd tijdens de handelsmissie die met premier Mark Rutte meereisde naar Paramaribo. Maar elke vorm van samenwerking is nu zo gevoelig geworden, dat het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de ambassade in Paramaribo schreef terughoudend te zijn als het gaat om olie- en gaswinning. ‘Rond de aanstaande handelsmissie (…) zijn er naar ik begrijp enkele discussies over onze publieke inzet rondom de nieuwe olievelden.’ Het ministerie concludeert dat de ambassade tijdens het bezoek leek in te zetten op fossiel. ‘Dat is een politiek afbreukrisico en inconsistent met staand beleid.’

Sinds Glasgow hoeven Nederlandse bedrijven dus niet meer bij het ministerie in Den Haag aan te kloppen als ze in de fossiele sector iets willen bereiken in Suriname. Voor grotere en ervaren bedrijven, zoals Boskalis en Van Oord, zal dat niet zoveel uitmaken. Die hebben ervaring genoeg in huis om te bereiken wat ze willen. Van Oord heeft recentelijk zelfs afspraken gemaakt om een bijdrage te leveren aan de aanleg van de diepwaterhaven te Nickerie.

Maar voor ondernemingen die Suriname niet kennen en hier wel graag willen investeren, zal dat een stuk lastiger zijn. Zij moeten maar uitzoeken hoe ze contacten leggen en onderhandelingen opstarten. Nederlandse bedrijven ervaren de medewerking die ze krijgen van de Surinaamse overheid als ‘zeer moeizaam’ en ‘stroperig’. Hen wordt niet het gevoel gegeven dat ze met open armen worden ontvangen. Ook de informatie die wordt gekregen van ondernemersorganisaties, zoals de Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB), is ondermaats, zo klinkt het. Daardoor bestaat de kans dat investeerders al snel afhaken.

ACHTERGROND

 

 

Facebook Comments Box