OPINIESERIE | VAN RUWE OLIE NAAR NATIONALE WELVAART DEEL 2 | WAAROM INTERNATIONALE BANKEN DIT PROJECT WÉL SERIEUS NEMEN
Auteur: Marcel P.T. Chin-A-Lien | Petroleum & Energie Adviseur – Founding Partner & Chief Architect, Golden Lane Investments Advisory Group (GLIAG)
In het eerste deel van deze serie stelde ik dat de voorgestelde Surinaamse raffinaderij niet beoordeeld moet worden als een klassieke commerciële raffinaderij die concurreert op de wereldmarkt. Dat verschil is essentieel, maar het roept direct een nieuwe vraag op.
Als dit project inderdaad zo fundamenteel verschilt van traditionele raffinaderijen, waarom zouden internationale banken en ontwikkelingsfinanciers er dan wél belangstelling voor hebben? Het antwoord is eenvoudiger dan veel mensen denken.
Banken investeren niet omdat een project aantrekkelijk klinkt. Zij investeren evenmin omdat de olieprijs tijdelijk hoog staat. Een financier kijkt eerst en vooral naar risico. Kan een project zijn leningen terugbetalen? Zijn de inkomsten voldoende voorspelbaar? Is de aanvoer van grondstoffen gegarandeerd? En beschikt het project over voldoende buffers wanneer de markt tegenzit? Juist op die punten onderscheidt het voorgestelde Surinaamse raffinaderijproject zich van veel andere raffinaderijen in de wereld.
De Kwaliteit van de olie maakt een wereld van verschil
Niet iedere oliesoort is hetzelfde. Sommige ruwe olie bevat veel zwavel, is zwaar en vraagt kostbare installaties om hoogwaardige brandstoffen te produceren. Zulke raffinaderijen moeten miljarden investeren in complexe installaties om aan internationale milieunormen te voldoen.
De olie uit het GranMorgu-veld behoort echter tot een heel andere categorie.
Met een API-zwaarte van ongeveer 35 tot 40 graden, een laag zwavelgehalte en een gunstige chemische samenstelling behoort deze olie tot de meest gewilde soorten voor raffinage. Zij levert relatief hoge opbrengsten aan waardevolle producten zoals benzine, diesel en vliegtuigbrandstof, zonder dat daarvoor de meest complexe raffinaderijconfiguraties nodig zijn.
Dat heeft directe gevolgen voor de investeringskosten.
Waar veel moderne raffinaderijen een zeer hoge Nelson Complexity Index nodig hebben om zware ruwe olie winstgevend te verwerken, kan Suriname met een aanzienlijk eenvoudiger modulaire configuratie vrijwel dezelfde hoogwaardige producten produceren.
Met andere woorden: betere olie betekent een eenvoudiger raffinaderij, lagere investeringskosten en minder operationele risico’s.
Een investeringsbeslissing die de onzekerheid grotendeels ontneemt
Jarenlang vormde de vraag of de offshore vondsten daadwerkelijk ontwikkeld zouden worden een belangrijke onzekerheid.
Die onzekerheid is inmiddels grotendeels verdwenen.
Op 1 oktober 2024 namen TotalEnergies, APA Corporation en Staatsolie de definitieve investeringsbeslissing voor de ontwikkeling van GranMorgu. Daarmee veranderde een veelbelovende ontdekking in een concreet productieproject.
Voor financiers is dat een fundamenteel verschil.
Een raffinaderij bouwen zonder zekerheid over toekomstige olieaanvoer is uiterst risicovol. Een raffinaderij bouwen terwijl de productie van de benodigde olie contractueel is vastgelegd, is een heel andere situatie.
De verwachte eerste olieproductie in 2028 vormt daarom niet alleen een mijlpaal voor de Surinaamse olie-industrie, maar ook voor de financiële haalbaarheid van downstreamprojecten.
De sleutel heet Government Crude Allocation Agreement
Het belangrijkste element van het GLIAG-voorstel is echter niet de raffinaderij zelf.
Het is de manier waarop de aanvoer van ruwe olie wordt georganiseerd.
Daarvoor stelt GLIAG een Government Crude Allocation Agreement (GCAA) voor.
In eenvoudige woorden betekent dit dat de Republiek Suriname, via Staatsolie en het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, gedurende de looptijd van de projectfinanciering een afgesproken volume ruwe olie beschikbaar stelt aan de raffinaderij.
Het gaat daarbij om de olie waarop Staatsolie zelf recht heeft uit haar twintig procent belang in Block 58.
Waarom is dat zo belangrijk?
Omdat banken een fundamenteel onderscheid maken tussen commerciële leveringscontracten en een door de overheid ondersteunde grondstoffenvoorziening.
Een commerciële leverancier kan failliet gaan, een contract opzeggen of elders een hogere prijs krijgen.
Een overeenkomst die rechtstreeks gekoppeld is aan het staatsbelang in een olieveld biedt een veel grotere mate van zekerheid.
Voor kredietverstrekkers verandert daarmee het karakter van het risico.
Niet langer staat de vraag centraal of een commerciële leverancier zijn verplichtingen zal nakomen, maar of een soevereine staat haar eigen overeenkomst respecteert. Voor ontwikkelingsbanken is dat een aanzienlijk aantrekkelijker uitgangspunt.
Waarom ontwikkelingsbanken anders kijken dan commerciële banken
Veel mensen denken bij projectfinanciering automatisch aan commerciële banken.
Maar grote energieprojecten worden wereldwijd steeds vaker mede gefinancierd door Development Finance Institutions, beter bekend als DFI’s.
Instellingen zoals DFC, IFC, IDB Invest en Afreximbank beoordelen projecten niet uitsluitend op financieel rendement. Zij kijken eveneens naar economische ontwikkeling, regionale stabiliteit, werkgelegenheid en duurzame industriële groei.
Een raffinaderij die een land minder afhankelijk maakt van brandstofimport, de handelsbalans versterkt en duizenden banen creëert, past daarom veel beter binnen hun mandaat dan vaak wordt aangenomen.
Dat betekent niet dat zulke instellingen risico’s negeren. Integendeel. Juist daarom stellen zij bijzonder hoge eisen aan de financiële structuur.
De cijfers achter de financierbaarheid
GLIAG heeft het project doorgerekend met een uitgebreid financieel model waarin niet één, maar 120 verschillende scenario’s zijn doorgerekend.
Daarbij varieerden onder meer de olieprijs, de productievolumes en verschillende marktomstandigheden.
Onder het basisscenario, gebaseerd op een Brent-prijs van ongeveer 70 Amerikaanse dollar per vat en een verwerking van 50.000 vaten per dag in de eerste fase, komt het model uit op een aantrekkelijk verwacht rendement op het eigen vermogen. Belangrijker voor banken is echter een andere maatstaf.
De Debt Service Coverage Ratio, kortweg DSCR.
Dat is de verhouding tussen de beschikbare kasstroom en de jaarlijkse verplichtingen voor rente en aflossing. Simpel gezegd: hoeveel ruimte heeft een project om zijn leningen terug te betalen?
Bij veel internationale energieprojecten beschouwen financiers een DSCR tussen ongeveer 1,2 en 1,5 als voldoende. Het GLIAG-model komt onder het basisscenario uit op ongeveer 4,95.
Zelfs in een stressscenario waarbij de olieprijs daalt naar ongeveer 45 dollar per vat, blijft de DSCR volgens de berekeningen rond 1,63. Dat betekent dat het project zelfs onder aanzienlijk ongunstigere marktomstandigheden nog steeds in staat zou zijn zijn financiële verplichtingen na te komen. Voor financiers zijn juist dit soort cijfers doorslaggevend.
Minder bouwen, minder risico
Een tweede belangrijk verschil met veel traditionele raffinaderijen ligt in de manier waarop de installatie wordt gebouwd. Historisch gezien behoren raffinaderijen tot de duurste industriële projecten ter wereld. Kostenoverschrijdingen, vertragingen en technische problemen zijn eerder regel dan uitzondering. GLIAG kiest daarom bewust voor een modulaire aanpak.
Belangrijke onderdelen worden in gespecialiseerde werven gebouwd, uitvoerig getest en vervolgens als complete modules naar Suriname verscheept. Daardoor wordt niet alleen de bouwtijd aanzienlijk korter, maar neemt ook het risico op kostbare vertragingen af.
Voor kredietverstrekkers betekent een kortere bouwperiode minder onzekerheid en een snellere start van de kasstromen waarmee leningen worden terugbetaald. Ook dat vergroot de financierbaarheid.
Bankable betekent meer dan winstgevend
In discussies over grote projecten worden winstgevendheid en financierbaarheid vaak door elkaar gehaald. Dat is een misverstand. Een project kan theoretisch winstgevend zijn en toch geen financiering krijgen.
Omgekeerd kan een project met bescheiden marges toch uitstekend financierbaar zijn wanneer de risico’s goed zijn afgedekt. Dat is precies het uitgangspunt van het voorgestelde raffinaderijproject. Niet de hoogste mogelijke winst staat centraal, maar voorspelbare inkomsten, zekere grondstoffenaanvoer, gecontroleerde investeringskosten en stabiele kasstromen.
Dat zijn precies de eigenschappen waarop internationale ontwikkelingsbanken en institutionele financiers hun beslissingen baseren. En juist daarom verdient dit project volgens de auteur een andere beoordeling dan de traditionele raffinaderijen waarmee het zo vaak wordt vergeleken. De financiële structuur is daarmee slechts één deel van het verhaal.
De werkelijk interessante vraag is wat deze raffinaderij uiteindelijk betekent voor de Surinaamse samenleving. Wat gebeurt er wanneer Suriname niet langer jaarlijks miljarden aan brandstof hoeft te importeren? Welke invloed heeft dat op werkgelegenheid, export, de handelsbalans en de energiezekerheid?
In deel 3 verlaten we de wereld van bankmodellen en financiële ratio’s en kijken we naar de vraag die iedere Surinamer bezighoudt: wat levert deze raffinaderij ons als land daadwerkelijk op?
OPINIE: Marcel P.T. Chin-A-LieN Petroleum & Energie Adviseur – Founding Partner & Chief Architect, Golden Lane Investments Advisory Group (GLIAG)
