PUBLIC PRIVATE PARTNERSHIP IS GEEN TOVERMIDDEL

Auteur: Armand Snijders.

Minister Riad Nurmohamed van Openbare Werken heeft sinds zijn aantreden zijn mond vol over Public Private Partnership.

Dat zou dé manier zijn voor de platzakke overheid om toch nog iets te kunnen realiseren. En het zou volgens hem nagenoeg niets kosten. Maar met die bewering houdt hij de samenleving voor de gek.

Lokale en internationale bedrijven moeten het voortouw nemen bij het realiseren van toiletgroepen, fietspaden en veerverbindingen tot zelfs complete bruggen, roept de bewindsman om de haverklap. Vooral voor een extra brug over de Surinamerivier gelooft hij in de kansen om die te realiseren dankzij zijn stokpaardje: ‘een publiek-privaat partnerschap’. Nurmohamed zegt dat dit nu de trend van het beleid is om particulier initiatief te stimuleren. Maar tot nu toe is hij er niet in geslaagd projecten gratis op te zetten. Dat is ook logisch, want het zijn doorgaans commerciële bedrijven die projecten uitvoeren en die doen dat niet voor niets.

Het baggerproject voor de Surinamerivier, waarvan onlangs de tweede fase werd opgeleverd, noemt hij ook als voorbeeld. Dat kostte volgens Nurmohamed de Staat niets, omdat het een publiek-privaat partnerschap tussen de Hakrinbank, de Maritieme Autoriteit Suriname (MAS) en de ministeries van Openbare Werken en van Transport, Communicatie en Toerisme was. Dat betekent concreet dat de joint-venture Baggerbedrijf De Boer-Boskalis werd betaald door de Hakrinbank, dat voor een deel met de financiering was ingekomen. De MAS betaalde waarschijnlijk de rest.

De MAS is een staatsonderneming, dus elke cent die ze uitgeeft gaat ten koste van de belastingbetaler. Ook de Hakrinbank is geen liefdadigheidsinstelling en wil op termijn haar geld terug, dus de opdrachtgever (de overheid) zal dat op den duur moeten ophoesten. Dus hoe komt Nurmohamed erbij dat het niets kost?

Een ander voorbeeld is de renovatie van de ophaalbrug over het Saramaccakanaal, die vorig jaar oktober werd opgeleverd. Dat was volgens de Firazia Ataoellah, hoofd afdeling Bruggen en Steigers van het ministerie, ook een PPP-project. Want een donateur had maar liefst aan 94 planken groenhart- en makagreenhout gedoneerd.

Ook carbolineum was gedoneerd en er waren een machine en gereedschappen beschikbaar gesteld voor het vlot uitvoeren van de werkzaamheden, die deels door ambtenaren waren uitgevoerd. Dus het kostte de staat inderdaad weinig, maar het had weinig te maken met publiek-privaat partnerschap. Het was gewoon een project dat gesponsord is, zoals er ieder jaar vele honderden zijn.

Het heeft er overigens veel van weg dat Nurmohamed door te zwaaien met publiek-privaat partnerschap wil proberen te verdoezelen wat een project in werkelijkheid kost. Hij verschuilt zich daarvoor achter ingewikkelde en vaak wollige constructies, waar een normaal mens weinig van begrijpt. Ten aanzien van bijvoorbeeld de veelbesproken brug over de Corantijn, probeert hij volgens ingenieur Dharm Mungra de hoge investering die deze met zich meebrengt “op misleidende wijze te rechtvaardigen door te benadrukken dat het een PPP-model is.” Dat zou de indruk moeten wekken dat de opdrachtgever geen kosten zou hebben omdat de concessionaris zelf financiering inbrengt.

“Echter”, zo waarschuwt Mungra, “het feit dat het om financiering gaat, suggereert dat het om een harde lening gaat die terugbetaald moet worden.

Het Design-Build-Finance-Operate-Maintain-model is voorgesteld, waarbij de terugbetaling aan de aannemer meestal gebaseerd is op een lange termijn concessiemodel, waarbij de aannemer over een langere periode wordt gecompenseerd voor het ontwerp, de bouw, financiering, exploitatie en onderhoud van de brug.”

De terugbetaling aan de aannemer gebeurt in fasen en is afhankelijk van de contractuele overeenkomst. Mungra: “Gedurende de financieringsfase ontvangt de aannemer normaal gesproken geen betaling van de opdrachtgever, maar ontvangt in plaats daarvan inkomsten uit de exploitatiefase. Nadat de brug is voltooid, begint de exploitatiefase. De aannemer wordt dan verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de brug, evenals het leveren van de overeengekomen diensten, zoals tolgelden (indien van toepassing) en andere inkomstenbronnen.”

In ruil daarvoor ontvangt de aannemer regelmatige betalingen van de opdrachtgever op basis van de prestaties en het behalen van vastgestelde mijlpalen, zoals beschreven in het contract. De onderhoudsfase kan meestal jaren tot tientallen jaren duren, afhankelijk van de levensduur van de brug. De aannemer blijft gedurende deze fase verantwoordelijk voor het onderhoud en de goede werking van de brug. De betalingen kunnen nog steeds op regelmatige basis plaatsvinden, en het is gebruikelijk dat ze gebaseerd zijn op de geleverde prestaties en de staat van de brug.”

Dus in principe betaalt de opdrachtgever, in dit geval de Staat, uiteindelijk de volledige bouwkosten. Het is een uitgestelde betaling, dat wel. Met inkomsten die anders in de boezem van de Staat zouden vallen en die de schatkist nu misloopt. Dus gratis bouwen, zoals Nurmohamed beweert, bestaat echt niet. Alleen de zon gaat voor niets op.

INGEZONDEN

Facebook Comments Box