VAN PLANTAGE ECONOMIE NAAR INDUSTRIALISATIE
Foto|Fiscalist en voormalig consultant bij de Suralco, Roy Shyamnarain
Dat president Desi Bouterse, nu op verschillende momenten de in 1958 gesloten joint venture tussen Suriname en de Aluminium Compagnie of America (Alcoa), bestempeld als een onding die Suriname niet veel heeft opgeleverd en van geen enkele waarde zou zijn, wordt door de bauxiet en aluinaarde deskundigen, Roy Shyamnarain en Derryck Ferrier, die goed bekend zijn met de overeenkomst gezien als een poging van het staatshoofd om de eigen onkunde, maar meer nog het eigen falen naar de achtergrond te verplaatsen.
Toen in 1958 de Brokopondo overeenkomst werd getekend tussen de staat Suriname en de Aluminium Compagnie of Amerika (Alcoa), is misschien niet helemaal bewust over de impact van deze samenwerking een ontwikkeling ingezet die Suriname letterlijke trok uit een gekoloniseerde plantage economie naar industriële ontwikkeling. Suriname behoorde vóór 1940 tot een van de tien armste landen in de wereld en was na Bolivia het armste land op het Amerikaans contingent. Zelf Haïti, nu het armste land op het westelijk halfrond was rijker dan Suriname. Er waren geen geasfalteerde straten, geen behoorlijke infrastructuur, geen goed waterleidingnet, terwijl 35 procent van de beroepsbevolking van Paramaribo werkloos was. Dit is maar een schijn van de toen, op hoofdzakelijk de landbouw en veeteelt gestoelde economie van het land.

Fiscalist en voormalig consultant bij de Suralco, Roy Shyamnarain en Derryck Ferrier(Zie foto), van het Centrum voor Economische en Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek in Suriname, menen dat het ontwikkelingsverhaal vooral niet gebagatelliseerd moet worden. Onafhankelijk van elkaar bestrijden zij de mythe van een door Nederland (voormalig moederland van Suriname) gefinancierde ontwikkeling. “Daar klopt niets van, het grootste deel van onze ontwikkeling hebben wij zelf gefinancierd en niet Nederland, want als het aan dat land had gelegen, was de Brokopondo overeenkomst nooit tot stand gekomen. Nederland heeft zelf geweigerd de bouw van waterkracht werken in Suriname te financieren.” Dat de mythe van een door Nederland gefinancierde ontwikkeling heeft kunnen standhouden is volgens Ferrier toe te schrijven aan het verouderd en veelal op Nederland gericht onderwijs systeem over Suriname’s geschiedenis als ook aan de koloniale erfenis waar voorlichting en informatieverstrekking niet bekeken werd vanuit een Surinaamse bril. “Omdat onze politici hier allemaal moesten dansen naar de pijpen van Nederland, hadden zij ook niet de behoefte om dat ook niet zo in detail te zeggen . Er zijn een heleboel dingen die hierin een rol spelen, zoals koloniale en neokoloniale denkwijzen, maar na verloop van tijd moet je mensen toch wel op bepaalde dingen wijzen”, zegt Ferrier.
Oorlog en export
De vooroorlogse Nederlandse kolonie, kenmerkte zich volgens Shyamnarain als een plantage economie die als t niet stil stond, weinig tot geen noemenswaardige ontwikkelingen met zich meebracht. “Suriname was het land van de ‘kokolampu en de buriki wagi’. Dit wordt gestaafd met boekwerken van de intussen overleden historicus Andre Loor, die de komst van de bauxietindustrie in 1916 beschrijft als een alles overheersende toekomstige industrie, die Suriname vanaf 1936 heeft gemaakte tot een van de belangrijkste bauxietexporteurs in de wereld. “We waren in de jaren vóór 1940 straatarm. Op de plantages leefde men van hongerlonen, terwijl het niet aan een ieder was toegestaan elke dag arbeid te verrichtten. “Generaties na 1940 hebben er geen idee van uit welke armoede we zijn gekropen. Suriname is een van de grootste overwinnaars uit de tweede wereld oorlog, als het gaat om productie, welvaart en welzijn, dankzij de bauxietindustrie. Toen aan het eind van de oorlog de wereld in een hoerastemming verkeerde, begon men zich in Suriname de vraag te stellen wat er zal gebeuren met de Bauxietindustrie en als de Amerikanen hun activiteiten in het land zouden stopzetten. Die onzekere situatie duurde tot eind 1945 toen werd aangekondigd dat de bauxietproductie niet zou worden stopgezet, maar integendeel werd uitgekeken naar het uitbreiden en op een hoger niveau brengen van de mijnoperaties”, zegt Ferrier. In 1948 werd ontdekt dat er waterkrachtwerken gebouwd konden worden in de Suriname rivier.
Ontwikkeling
“Elk land streeft naar en zal zich uiteindelijk in ontwikkeling brengen. Dus in die situatie zouden wij niet zijn gebleven. Alleen moet goed worden geïdentificeerd wat de kansen zijn gewest met de komst van de Brokopondo overeenkomst. Kansen die we als land dan ook hebben aangegrepen en dat maakt wel dat het ontwikkelingsverhaal anders wordt”, zegt Shyamnarain. De fiscalist verwijst naar ontwikkelingen die allemaal stuk voor stuk hun bestaan direct of indirect te danken hebben aan de Brokopondo overeenkomst en wat daaruit is voortgekomen. De universiteit, ziekenhuizen, staatsolie, de oost- west verbinding, de energiebedrijven Suriname, de Surinaamse Waterleiding Maatschappij, de brug over de Suriname rivier, de bestrating en uitbreiding van het wegennet, de bouw van volkswoningen, zijn allemaal betaald en mede betaald uit de opbrengsten die komen uit de bauxietindustrie. Nederland gaf mondjesmaat wel wat geld maar het grootste deel van het budget werd is door Suriname zelf opgebracht. De bauxiet en aluinaarde industrie hebben ook de levenstandaard in het land verhoogd. De werkgelegenheid direct en indirect als gevolg van diensten die aan de industrie werden verleend groeide snel. We moeten ook niet vergeten dat veel mensen konden studeren of met een beurs van de Suralco een opleiding hebben kunnen volgen in net buitenland. Dat soort waardevolle ontwikkelingen zijn echt niet gekomen door slechts ontwikkelingshulp vanuit Nederland. Veel van dat kader is terug gekomen en hebben anderen hun weg gevonden in de rest van de wereld. Shyamnarain zegt dat de ontwikkeling van het plan dat uiteindelijk resulteerde in de Brokopondo overeenkomst, een volledige Surinaams plan is gemaakt door Surinamers en ook Nederlanders, zoals professor van Blommenstein. “het is hier in Suriname geproduceerd en is niet ontwikkeld in opdracht van de toen Nederlandse regering, sterker nog toen aan Nederland is gevraagd het te financieren is dat geweigerd. Er is een deal gesloten met Alcoa die toen het project volledig heeft bekostigd. Het is een samenwerking waarin Suriname concessies heeft uitgegeven. Dat heeft ook een waarde en het is die waarde die maakt dat als straks de Suralco verplicht is de stuwdam aan Suriname te geven”, zegt Shyamnarain. Volgens hem is dit geen gunst, mar een tegenprestatie van de Suralco voor de prestaties die Suriname in de overeenkomst heeft geleverd.
Transmigratie
Shyamnarain zegt niet te willen bagatelliseren dat er bij deze ontwikkeling ook een keerzijde is. De meest spraakmakende is wel de transmigratie van binnenland bewoners die hebben gewoond in en rond het latere stuwmeer en het feit dat er tot vandaag niet gezorgd is voor adequate elektriciteitsvoorziening voor die gebieden. “Elke ontwikkeling heeft een keerzijde en een prijs”, zegt hij. Ferrier merkt op dat een van de belangrijke ontwikkelingen uit de Brokopondo overeenkomst, de ontsluiting is van grote delen van het land, wat weer kansen bied op meer en toekomstige ontwikkelingen. Maar ook de mobilisatie van de binnenlandbewoners is volgens hem een direct gevolg van de Brokopondo overeenkomst. “Wat je van de transmigratie ook zeggen wilt. Voor die aangelegenheid hoeft vooral niet op de Alcoa en de Suralco gescholden te worden. Mensen die daarover praten weten niet beter of zeggen maar wat. De werkelijkheid is dat de Suralco juist heeft aangegeven waar en waarom welke gebieden onder water zouden lopen. De maatschappij heeft aangeboden aan de binnenlandbewoners om hun huizen en leefomstandigheden die zij kwijt zouden raken te vergoeden. “De mensen moesten alleen maar zeggen en aanwijzen, waar zij naar toe wilden gaan. Wat gebeurde is dat de toenmalige politici uit strategische politieke belangen, dit naar zich hebben toegetrokken en bepaald hebben waar de mensen naar toe moesten gaan”, zegt Ferrier.
Op basis van deze historische feiten zijn beide deskundigen ervan overtuigd dat Suriname nu, een veel betere onderhandelingspositie had moeten innemen. “Ik heb niets tegen het team dat nu aanziet, maar als je een onderwerp als dit aansnijdt zal je echt niet uit de losse pols gesprekken moeten voeren met de Alcoa. Uit de interviews die ik heb gehoord van de voorzitter van de onderhandelingscommissie krijg ik het gevoel dat men zich niet goed heeft voorbereid en onvoldoende op de hoogte is van wat in de Brokopondo overeenkomst staat”, zegt Shyamnarain. Met Ferrier is hij het er over een dat er nog veel meer en over een lange periode meer gehaald kan worden uit de waterkrachtcentrale, die in 2019 aan Suriname zal worden overgedragen. Om de Capaciteit van de stuwdam te vergroten zal in eerste instantie gekeken moeten worden naar het uitvoeren van het Tapajay project. ( samenvloeiing van de Tapanahony rivier en de Jaykreek, naar het stuwmeer… red). Die capaciteit is nodig om meer en goedkopere energie op te wekken. Dat zal Suriname de mogelijkheid geven tot verdere industriële ontwikkeling, waarmee geld verdiend kan worden. Het bureau van Ferrier heeft de afgelopen jaren een studie gedaan naar welke mogelijkheden er zijn om de bauxietsector niet alleen te ontwikkelen, maar als inzet te gebruiken voor een nog grotere industrieel plan.
Shyamnarain wil kwijt dat de Alcoa nimmer de intentie heeft gehad uit Suriname te vertrekken, maar in 2014 heeft aangegeven dat het problemen heeft met haar huidige en toekomstige operaties. Voor Suriname is vanaf toen belangrijk geweest de Stuwdam in handen te krijgen. Echter is in de Brokopondo overeenkomst precies aangegeven hoe en wanneer het aan Suriname zal worden overgedragen. “De overeenkomst is en ‘joint venture’ tussen Suriname en de Alcoa en dat schrijnt niet goed te zijn doorgedrongen tot veel mensen die heel veel praten over de Brokopondo overeenkomst. De Amerikanen zullen het spel spelen zoals het gespeeld moet worden. Als wij met minder genoegen gaan nemen zal het niet aan de Alcoa liggen maar wel aan de kennis die we zelf hebben van zaken en aan de sterkte van onze mensen die met Alcoa onderhandelen.
UNITEDNEWS|WILFRED LEEUWIN