‘DEZE GENERATIE HEEFT MET DE SLAVERNIJ NIETS TE MAKEN GEHAD’
foto compilatie: Roy Bhikharie en Shaif Basier
Auteur: Armand Snijders
De buitenparlementaire Progressief-Verheffende Partij (PVP) heeft zich nu ook in de discussie over herstelbetalingen aan nazaten van slaven gemengd. In de ogen van voorzitter Roy Bhikharie hebben de nazaten geen recht daar op: “Deze generatie heeft met de slavernij niets te maken gehad en in de periode van de slavernij waren er ook geen democratische besluitvormingsprocessen, laat staan een wettelijke basis hiervoor.”
Het is volgens Bhikharie best mogelijk om geld te eisen “als je kunt aantonen dat Nederland inderdaad zich zichtbaar heeft kunnen ontwikkelen dankzij de slavernij.” Maar dan zou met een rekensommetje een deel van onze schuldenlast misschien kunnen worden voldaan. “Ik besef dat het best wel een gevoelig onderwerp is, vooral omdat een paar intellectuelen jarenlang op een politieke manier aanhang hebben proberen te verwerven voor zogenaamde herstelbetaling. In licht van de bedelmentaiteit, die sedert 1975 is gekweekt, hebben deze personen een deel van het volk aan hun zijde kunnen krijgen.”
Mede om die reden hebben Bhikharie en Shaif Basier, adviseur van de PVP Nederland, namens de partij een brief met hun zorgen aan Kaag geschreven om hun visie weer te geven. Veel van de huidige problemen in Suriname die worden toegeschreven aan het slavernijverleden, vinden hun oorspromg in een recenter verleden, ze stellen ze in hun brief. ‘Toen in de jaren zeventig bekend werd dat Suriname onafhankelijk zou worden, vluchtte ongeveer de helft van de Surinamers naar Nederland. Ondanks de ervaring van Nederland met zulke situaties in Caraibische landen heeft Nederland er niets aan gedaan om dit tegen te houden.’
‘De oud-parlementsvoorzitter van Suriname, de heer Mr. Jagernath Lachmon, vroeg nog aan de oud-minister-president Joop den Uyl van Nederland om de onafhankelijkheid niet te laten doorgaan, echter tevergeefs. Er werd niet eens een voorstel gedaan door Nederland om een referendum te houden en aldus werd Suriname staatkundig onafhankelijk met een meerderheid van één overgelopen parlementariër in het Surinaamse parlement.’
‘Al deze gebeurtenissen en — vooral niet te vergeten — het opgedrongen slavernij- en koloniale verleden demonstreerden overduidelijk dat Suriname als onwetende en onervaren natie in wording verre van rijp was voor de onafhankelijkheid. Als tegemoetkoming werd aan Suriname een Ontwikkelingsverdrag met 3,5 miljard Nederlandse guldens door Nederland geschonken.’
In dit Ontwikkelingsverdrag van 1975 staat onder meer dat zowel Suriname als Nederland verantwoordelijk zijn voor de besteding van deze ontwikkelingsgelden met als doel Suriname zelfvoorzienend te maken — om de ‘self-reliance gedachte’ te realiseren. Het komt mij voor dat door deze gedeelde verantwoordelijkheid Nederland impliciet de voornoemde onrijpheid van Suriname erkende, samen met Suriname zelf die hiermee instemde.’
Desondanks, stellen de schrijvers, zou volgens Jan Pronk, oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking van Nederland, zijn land uit gewetenswroeging de onderhavige ontwikkelingsgelden grif hebben verstrekt, zonder continu verdragsmatig te monitoren en Suriname professioneel te begeleiden. ‘In zijn boek ‘Suriname: Van wingewest tot natiestaat’ beargumenteert hij hoe, waarom en wanneer Nederland haar controleplichten veronachtzaamde’
‘Vanaf het begin van de onafhankelijkheid ging Suriname dan ook begrijpelijkerwijs steeds verder achteruit, afgaande op de koersontwikkeling van de Surinaamse munteenheid ten opzichte van vreemde valuta, alsook de sociaaleconomische situatie. Het bestuurswanbeleid gaf de indruk van ‘fixatie’, alsof het uitblijven van de vereiste verdragsmatige professionele begeleiding door Nederland de geconditioneerde slaafse en koloniale mindset had bestendigd, aangezien de Surinaamse politici de rollen van de exslavenmeester en ex-kolonisator overnamen. Mede als resultaat van deze ongunstige psychologische,politiek-bestuurlijke en materiële omstandigheden volgden er jaren later twee militaire coups en wel in 1980 en daarna weer in 1990.’
‘In deze periodes werden vanuit Nederland verschillende bewegingen op touw gezet en militaire acties ondernomen om Suriname van deze coups te bevrijden.
De eerste coup werd zelfs door Nederland beloond met 500 miljoen Nederlandse guldens.
Vele substantiële vernielingen en moorden vonden plaats in deze periodes. Uitgaande van de ongewenste gebeurtenissen en gevolgen —als nawerking van de lakse houding van Nederland — kan de Nederlandse regering zich moeilijk onttrekken aan de medeverantwoordelijkheid voor de verspilling van de verdragsmiddelen en de huidige status quo van Suriname.’
‘Bovendien is door de bovengenoemde fixatie-gevolgen het Surinaamse volk als tegenhanger een baas-knecht attitude of ‘follow-the-leader-mentality’ gaan internaliseren, wat tot nu toe haar weerslag vindt in de inadequate werking van de politiek-bestuurlijke orde en de Trias Politica in Suriname. Ondanks de zogenaamde 47-jarige onafhankelijkheid loopt ons land nog steeds overal te bedelen om financiële steun en professionele hulp op bijna elk gebied, waaruit wederom overduidelijk de afhankelijkheid en onervarenheid blijken’.
‘Voor het psychologische leed dat vanaf 1975 is aangericht door de plichtverzaking van Nederlandse zijde ingevolge het Ontwikkelingsverdrag en tot op heden waarneembaar is, is er geen compensatie mogelijk, maar voor het economische gedeelte deels wel. Meer dan 90 procent van ons volk kan zichzelf niet zelfstandig bedruipen. Hoe zou Nederland dit kunnen goedmaken?’
Het antwoord op die vraag draagt de PVP zelf aan: ‘Ons voorstel is de tegenwaarde van 500 miljoen Nederlandse guldens, die aan een illegale regering werd gegeven, terug te geven aan Suriname. Ten tweede De helft van de bestaande schuld van Suriname af te lossen in de vorm van een schenking en de andere helft van de schuld tegen een zachte rente met een grace period aan Suriname te lenen’.
De partij stelt echter voor om, gezien de ervaringen in het verleden, ‘de besteding van deze gelden mede te monitoren, zodat alle inspanningen deze keer wel het Surinaamse volk ten goede komen’.
Bij het antwoord op de kernvraag in de hele discussie over slavernij en herstelbetalingen moet volgens Bhikharie zeker verder worden gekeken dan het hele verre verleden, zo zegt hij desgevraagd. “Wie is verantwoordelijk, zowel moreel als wettelijk onder de politiekbestuurlijke omstandigheden van toen? En wie hebben de slavernij mogelijk en uitvoerbaar gemaakt? Wie hebben eraan verdiend? Maar als je een historische audit maakt, doe dat ook voor Suriname na de onafhankelijkheid. Alle roof door de oude politiek zou dan consequent bij kinderen en kleinkinderen terug moeten ook worden gehaald, toch?”
UNITEDNEWS
